ECLI:NL:RBMNE:2020:2873

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juli 2020
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
UTR 19/4810
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Meulder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 6:16 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing proceskostenvergoeding na herroeping aanmaningsbesluit parkeerbelasting

Eiser ontving een aanmaning wegens niet tijdig betalen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief aanmaningskosten. Verweerder herroept het aanmaningsbesluit na bezwaar, maar wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Eiser stelt dat de aanmaning onrechtmatig was verzonden en dat uitstel van betaling was aangevraagd maar niet is beslist.

De rechtbank beoordeelt dat de aanmaning rechtmatig is verzonden omdat op het moment van verzending geen uitstel van betaling was verleend en het ingestelde beroep de werking van het besluit niet schorst. De herroeping van het besluit is niet te wijten aan onrechtmatigheid van verweerder, zodat geen recht bestaat op proceskostenvergoeding.

Verder oordeelt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk maakt dat uitstel van betaling was verleend of dat hij op grond van het uitblijven van een beslissing mocht vertrouwen op uitstel. De beroepsgrond faalt en het beroep wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak is gedaan zonder zitting vanwege coronamaatregelen en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4810

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: B. de Jong LLB)
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Lelystad, verweerder.

Procesverloop

Op 26 augustus 2019 heeft verweerder aan eiser een aanmaning met vorderingnummer [vorderingsnummer] toegezonden wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot een bedrag van € 63,90. Daarbij is € 7,- aan kosten in rekening gebracht.
In de uitspraak op bezwaar van 11 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de aanmaning herroepen en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld, voor zover het de afwijzing van de proceskostenvergoeding betreft.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten en alleen zittingen voor urgente zaken door te laten gaan. Partijen hebben er schriftelijk mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 17 juli 2020.

Overwegingen

1.Eiser verzoekt om een proceskostenvergoeding voor door een derde in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vier weken na de uitspraak op bezwaar.
2.Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ( Awb) worden de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend vergoed indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid.
3.Voor de beantwoording van de vraag of de herroeping van het besluit in deze zaak is te wijten aan onrechtmatigheid van de zijde van verweerder, moet de rechtbank beoordelen of de aanmaning rechtmatig is verzonden. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanmaning ten onrechte is verzonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze rechtmatig is verzonden.
4.Verweerder stelt dat op het moment van verzenden van de aanmaning aan eiser geen uitstel van betaling was verleend. Het door eiser in zijn bezwaarschrift aangevoerde argument dat er beroep was ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar en dat eiser om die reden niet in gebreke was treft geen doel. Artikel 6:16 van Pro de Awb bepaalt immers dat het ingestelde beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet schorst. De aanmaning is derhalve terecht verzonden en de aanmaningskosten zijn terecht in rekening gebracht. Dat het bezwaar op grond van bevindingen van praktische aard gegrond is verklaard maakt dat niet anders. De rechtbank onderschrijft dit oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat het herroepen van het besluit om de aanmaningskosten op te leggen niet aan onrechtmatigheid van zijn kant is te wijten. Eiser heeft daarom geen recht op een proceskostenvergoeding.
5.Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6.Eiser voert aan dat in het bezwaarschrift dat tegen de naheffingsaanslag was gericht om uitstel van betaling is verzocht voor het bedrag van € 63,90. Hij stelt dat verweerder niet heeft beslist op dit verzoek om uitstel. De rechtbank overweegt dat eiser met deze grond niet aannemelijk maakt dat er uitstel van betaling was verleend. Voor zover eiser beoogt te stellen dat door het uitblijven van een reactie van verweerder op zijn verzoek om uitstel bij hem het vertrouwen was gewekt dat hij betaling vooralsnog kon uitstellen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft een professionele rechtsbijstandverlener ingeschakeld. Er is geen rechtsmiddel ingezet tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om uitstel. Daarnaast is de aanmaning verzonden na afronding van de bezwaarfase en een eventueel verleend uitstel van betaling voor deze fase zou reeds zijn beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
7.Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.M.J.H. Muijlaert, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat