Eiseres ontving in mei 2017 en maart 2019 bedragen uit de erfenis van haar grootvader. Verweerder stelde het vermogen van eiseres vast, trok haar bijstand in per 22 maart 2019 en vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode 22 maart tot 30 april 2019. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de procedure stelde eiseres dat zij naast de erfenis ook schulden van de erflater had betaald en dat zij de erfenis had gebruikt voor haar levensonderhoud, met afspraken over hervatting van bijstand. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren gemotiveerd om het besluit te vernietigen, mede omdat de stellingen over de periode na de te beoordelen periode gingen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom de vermogensvaststelling en intrekking van bijstand terecht waren en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Ramsaroep op 10 juli 2020.