ECLI:NL:RBMNE:2020:2990

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
28 juli 2020
Zaaknummer
UTR 20 /242
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen intrekking bijstand en terugvordering wegens erfenis en vermogensvaststelling

Eiseres ontving in mei 2017 en maart 2019 bedragen uit de erfenis van haar grootvader. Verweerder stelde het vermogen van eiseres vast, trok haar bijstand in per 22 maart 2019 en vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode 22 maart tot 30 april 2019. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank.

Tijdens de procedure stelde eiseres dat zij naast de erfenis ook schulden van de erflater had betaald en dat zij de erfenis had gebruikt voor haar levensonderhoud, met afspraken over hervatting van bijstand. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren gemotiveerd om het besluit te vernietigen, mede omdat de stellingen over de periode na de te beoordelen periode gingen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom de vermogensvaststelling en intrekking van bijstand terecht waren en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Ramsaroep op 10 juli 2020.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/242

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder
(gemachtigde: J. Hekelaar).

Inleiding en verloop van de procedure

1.1.
Eiseres heeft op 12 mei 2017 een bedrag van € 5.459,19 en op 22 maart 2019 een bedrag van € 16,143,37 ontvangen uit de erfenis van haar grootvader.
1.2.
Verweerder heeft bij besluit van 3 juni 2019 (primair besluit):
  • het vermogen van eiseres vastgesteld op € 22.602,56;
  • de bijstand van eiseres ingetrokken met ingang van 22 maart 2019;
  • de kosten van bijstand over de periode van 22 maart 2019 tot en met 30 april 2019 van € 920,39 van eiseres teruggevorderd; en
  • na verrekening van het voor eiseres gereserveerde vakantiegeld ad € 375,46 met het teruggevorderde bedrag aan eiseres medegedeeld dat zij een bedrag van (€ 920,39 - € 375,46 =) € 544,93 aan hem moet betalen.
1.3.
Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 3 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder met integrale overneming van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Adviescommissie) van 25 november 2019 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.6.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 6 juli 2020 via een Skype‑verbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

2. De te beoordelen periode loopt wat betreft de intrekking van 22 maart 2019 tot en met 3 juni 2019 en wat betreft de terugvordering van 22 maart 2019 tot en met 30 april 2019.
3. Eiseres heeft in beroep gesteld dat zij niet alleen geld heeft ontvangen van de erflater maar dat zij ook veel schulden heeft betaald die door hem zijn achtergelaten.
4. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken, vast dat het voormelde een herhaling is van wat eiseres tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit [1] voldoende dragend heeft gemotiveerd waarom deze stelling niet tot een andere vermogensvaststelling kan leiden. De rechtbank onderschrijft die motivering. De beroepsgrond slaagt dus niet.
5. Eiseres heeft verder in beroep gesteld dat zij een lange tijd geen bijstand heeft gehad, zij de erfenis heeft gebruikt voor haar levensonderhoud en dat zij met verweerder afspraken heeft gemaakt waardoor zij na verloop van tijd weer bijstand zou gaan krijgen.
6. De rechtbank is van oordeel dat deze stellingen geen doel treffen, omdat deze stellingen geen betrekking hebben op onderwerpen waarover verweerder in het bestreden besluit een beslissing heeft genomen en deze stellingen zien op de gestelde situatie van eiseres van na de onder 2. bedoelde te beoordelen periodes. Daarom kunnen deze stellingen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 juli 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd omrechter
deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie in het bijzonder onder 1.7. van het advies van de Adviescommissie.