Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een omgevingsvergunning verleend aan een derde-partij voor het bouwen van een dakopbouw die afwijkt van het bestemmingsplan. De eisers betoogden dat de goothoogte na realisatie hoger zou zijn dan toegestaan, wat de rechtbank in een tussenuitspraak bevestigde: 9,60 meter in plaats van de door verweerder aangenomen 6,90 meter.
Verweerder heeft na de tussenuitspraak een aanvullende motivering gegeven, maar handhaafde zijn standpunt over de goothoogte. De rechtbank oordeelt dat deze motivering onvoldoende is, omdat verweerder niet heeft toegelicht waarom een overschrijding van 3,60 meter is toegestaan. Hierdoor is de belangenafweging onvolledig.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en draagt verweerder op binnen zes weken na het kracht van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eisers vergoed.