Eiser diende een aanvraag in voor een tegemoetkoming in planschade omdat het nieuwe bestemmingsplan Landelijk Gebied West de bebouwingsmogelijkheden van zijn percelen zou hebben verminderd. Verweerder wees de aanvraag af op grond van passieve risicoaanvaarding, stellende dat eiser ruim twee jaar de tijd had gehad om de bouwmogelijkheden te benutten.
Eiser maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat het maximale bebouwingspercentage al was bereikt op de peildatum, zodat geen nieuwe aanvragen mogelijk waren. De rechtbank oordeelde dat het niet duidelijk was welke legale bebouwing feitelijk aanwezig was op de peildatum, omdat verschillende lijsten en gegevens hierover verschilden. Vergunningvrije bouwwerken tellen niet mee voor het bebouwingspercentage.
De rechtbank stelde vast dat de feitelijke bebouwing op de peildatum 2.187,55 m² bedroeg, maar kon niet vaststellen welk deel daarvan legaal was. Hierdoor kon niet worden beoordeeld of er bouwmogelijkheden onbenut waren gelaten en of sprake was van passieve risicoaanvaarding. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank wees ook het bezwaar tegen de onafhankelijkheid van het adviesbureau af, omdat er geen aanwijzingen waren voor partijdigheid. Het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 6 augustus 2020.