Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2020 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder
Inleiding
Overwegingen
a. een onrechtmatig besluit;
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekers, ondernemers met een winkel in het centrum van Zeist, vorderden nadeelcompensatie wegens omzetverlies door gemeentelijke werkzaamheden in 2017 en 2018. Zij stelden dat de bereikbaarheid van hun winkel ernstig was belemmerd, wat leidde tot dreigend faillissement. Verweerder, de gemeente Zeist, bood een aanzienlijk lager schadebedrag aan, dat verzoekers niet accepteerden.
Verzoekers verzochten de gemeente om een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro te nemen, wat werd geweigerd met het argument dat de schade voortkomt uit feitelijk handelen. De rechtbank oordeelde dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:88 Awb Pro bevoegd is voor schade veroorzaakt door onrechtmatige besluiten of handelingen, maar niet voor schade door puur feitelijk handelen zonder onrechtmatig besluit.
De rechtbank concludeerde dat de plannen en maatregelen zoals de Centrumvisie geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 Awb Pro en dat de werkzaamheden feitelijk van aard zijn. Hierdoor is de bestuursrechter kennelijk onbevoegd. Tevens is de gevraagde schadevergoeding hoger dan € 25.000, wat de bevoegdheid verder uitsluit. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en wees terugbetaling van het griffierecht toe.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om nadeelcompensatie wegens feitelijk handelen van de gemeente.