ECLI:NL:RBMNE:2020:3478
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning vastgesteld volgens vergelijkingsmethode
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse plaats voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld op €215.000, terwijl eiser een lagere waarde van €205.000 bepleitte. De waarde is bepaald op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de woning is vergeleken met drie referentiewoningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix en toelichting tonen aan dat de woning is vergeleken met vergelijkbare rijwoningen en dat er voldoende rekening is gehouden met verschillen. De stelling van eiser dat de vraagprijs bepalend zou moeten zijn, wordt verworpen omdat de Wet WOZ uitgaat van gerealiseerde verkoopprijzen.
Verder faalt het beroep van eiser dat de referentiewoning beter onderhouden zou zijn en dat verweerder inpandig had moeten inspecteren, omdat deze stellingen onvoldoende zijn onderbouwd. Ook het argument dat de procentuele stijging van de WOZ-waarde te hoog zou zijn, wordt verworpen omdat de Wet WOZ voor elk belastingjaar een nieuwe waardebepaling vereist. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €215.000 wordt ongegrond verklaard.