ECLI:NL:RBMNE:2020:3594
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring woonruimte na relatiebeëindiging wegens onvoldoende woonbehoefte kind
Eiseres verzocht om een urgentieverklaring voor woonruimte na het beëindigen van haar relatie met haar ex-partner, omdat zij vanwege beperkte financiële middelen geen woning kan vinden voor zichzelf en haar zoon. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat het kind bij de ex-partner kan wonen.
De rechtbank oordeelde dat de voorwaarde uit de Huisvestingsverordening dat geen van de ouders in de woonbehoefte van het minderjarige kind kan voorzien, niet was vervuld. Het feit dat de ex-partner wisselende diensten werkt en geen ouderlijk gezag heeft, doet hieraan niet af. De vader kan naar redelijke maatstaven in de woonbehoefte voorzien.
De rechtbank vond ook dat de hardheidsclausule niet toegepast hoefde te worden, omdat er geen sprake was van een acuut onhoudbare of levensbedreigende situatie. De procedure werd als eerlijk beoordeeld ondanks enkele organisatorische tekortkomingen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.