Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
,
Rechtbank Midden-Nederland
De burgemeester van een gemeente legde een gebiedsverbod op aan verzoeker voor twee gebieden in de gemeente vanwege herhaalde verstoring van de openbare orde en verdenking van strafbare feiten zoals vernieling en openlijke geweldpleging.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen onverwijlde spoed was die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakte. De beperking van de bewegingsvrijheid was beperkt in tijd (13 weken) en ruimte (kleine gebieden), en verzoeker had bijna vijf weken gewacht met het indienen van het verzoek.
Daarnaast kon verzoeker elders in de gemeente terecht en was niet aannemelijk gemaakt dat het gebiedsverbod tot onomkeerbare gevolgen zou leiden. Het beroep op het EVRM-recht op vrije beweging werd niet gevolgd omdat het gebiedsverbod gebaseerd is op een wettelijke grondslag (artikel 172 Gemeentewet Pro).
De voorzieningenrechter benadrukte dat verzoeker zijn bezwaren in bezwaar kan voortzetten en dat het niet duidelijk was dat het besluit onrechtmatig is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.