Eiser, een 40-jarige Wajong-uitkeringsgerechtigde, verzocht om herziening van een eerder besluit waarin werd vastgesteld dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Verweerder handhaafde dit besluit, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank beoordeelde of verweerder terecht weigerde terug te komen op het eerdere besluit van 26 juli 2016. Eiser stelde dat hij inmiddels wel arbeidsvermogen heeft ontwikkeld, onderbouwd met een verslag van een uitzendbureau en informatie van een organisatie die autisme vaststelde zonder andere belemmeringen.
De rechtbank oordeelde dat eiser te laat nieuwe feiten aanvoerde over een leer-werk-traject en dat verweerder geen nieuwe medische informatie ontbrak. Wel constateerde de rechtbank motiveringsgebreken in het besluit, met name ten aanzien van de arbeidsdeskundige rapportage en de beoordeling van de positieve ontwikkelingen van eiser.
Hoewel verweerder op de zitting aanvullende motivering gaf, vernietigde de rechtbank het besluit wegens deze gebreken, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Het verzoek van eiser tot benoeming van een deskundige werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.050,-.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebreken, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/707
uitspraak van de enkelvoudige kamer 30 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
gemachtigde: mr. L. Smit.
Procesverloop
Eiser heeft op 20 januari 2019 aan verweerder om een herziening van een eerder besluit van 26 juli 2016 gevraagd, omdat hij vindt dat hij arbeidsvermogen heeft.
Bij besluit van 21 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser laten weten dat er geen aanleiding is om een ander besluit te nemen. Verweerder handhaaft zijn eerdere conclusie dat eiser duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
Bij besluit van 6 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 14 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat ging er aan de zaak vooraf?
1. Eiser is een man van veertig jaar, die vanaf zijn 18e jaar een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ontvangt. In een vorige beroepsprocedure heeft eiser ook gesteld dat hij arbeidsvermogen heeft. De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft hem toen niet in het gelijk gesteld. Die rechtbank [1] heeft in haar uitspraak van 15 mei 2018 geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 maart 2017 geheel in stand blijven. Dat betekent dat die rechtbank het eens is met de conclusies van verweerder dat eiser op dat moment geen arbeidsvermogen heeft en dat eiser met ingang van 1 januari 2018 een uitkering op grond van de Wet Wajong blijft ontvangen, gebaseerd op 75% van het minimumloon.
Waar gaat de zaak over?
2. Het geschil gaat over de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd terug te komen van zijn eerdere primaire beslissing van 26 juli 2016. Verweerder handhaaft in het bestreden besluit van 6 augustus 2019 zijn eerdere beslissing, dat er geen medische reden is om af te wijken / terug te komen op de in rechte vaststaande beslissing van 26 juli 2016. Daarmee blijft verweerder van mening dat eiser duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
Wat vindt eiser?
3. Eiser vindt dat hij wel arbeidsvermogen heeft. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij een ontwikkeling heeft doorgemaakt en inmiddels over vaardigheden beschikt die het mogelijk maken om te werken. Eiser wijst op een verslag van uitzendbureau [organisatie 1] van
7 juni 2019. Daarin staat dat eiser gedurende 3 weken met succes heeft gewerkt. Eiser heeft in die 3 weken als [.] bij de rechtbank [naam rechtbank] , locatie [plaatsnaam] , gewerkt in een beoogde proefplaatsing. De plaatsing is beëindigd, omdat verweerder geen toestemming gaf voor een proefplaatsing. Eiser heeft ook gewezen op informatie van [organisatie 2] van 7 november 2018. Volgens eiser blijkt uit die informatie dat er, behalve een vorm van autisme (ASS), geen andere belemmeringen zijn om te werken. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder deze nieuwe vaardigheden onvoldoende heeft meegewogen en niet volgens het Compendium Participatiewet heeft gehandeld. Daarbij heeft eiser gewezen op de ontwikkelmogelijkheden voor een jonggehandicapte rond zijn 18e jaar. Volgens eiser is het besluit van 6 augustus 2019 daarom onvoldoende gemotiveerd.
Eiser heeft op de zitting uitgelegd dat zijn doel is in het doelgroepenregister te komen, om met behoud van Wajong-uitkering, te kunnen werken. Daarvoor is nodig dat verweerder zijn standpunt wijzigt en net als eiser vindt dat hij beschikt over basale werknemersvaardigheden. Ter zitting heeft eiser nog gewezen op zijn gewerkte periode van 2010 tot 2014 in de horeca in een leer-werk-traject.
4. Eiser heeft tenslotte gevraagd een deskundige te benoemen, omdat verschil van inzicht blijft bestaan tussen partijen over de als gevolg van ziekte of gebrek ontbrekende basale werknemersvaardigheden. Eiser verzoekt de deskundige een rapport uit te brengen dat zich vooral richt op de ontwikkelingsanamnese en de groei van werknemersvaardigheden van eiser.
Wat vindt de rechtbank er van?
5. De rechtbank stelt voorop dat de mededeling van eiser dat hij in de jaren 2010 tot 2014 heeft gewerkt in een leer-werk-traject te laat is aangevoerd. Eiser had dit eerder kunnen aanvoeren en verweerder heeft hier terecht op gewezen. Deze mededeling zal wegens strijd met de goede procesorde niet worden meegenomen in de beoordeling.
6. De rechtbank komt inhoudelijk tot de volgende beoordeling. Zij betrekt hierbij de uitgangspunten zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [2] die heeft geformuleerd ten aanzien van herzieningsverzoeken. Anders dan in die uitspraak heeft eiser een volledige Wajong-uitkering en wil hij werken met behoud van uitkering.
7.1.
Een aanvraag voor een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere beslissing over die uitkering, moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 vanPro de Awb) of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.
7.2.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de datum in het verleden waarop het oorspronkelijke besluit betrekking had, is de aanvrager op grond van artikel 4:6 vanPro de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen.
7.3.
Als sprake is van een nieuwe aanvraag, dan zal de betrokkene feiten of omstandigheden moeten aandragen die deze aanvraag ondersteunen.
7.4.
Is sprake van een aanvraag waarbij - ook - voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvrager feiten of omstandigheden vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn.
8. De rechtbank stelt vast dat aanvankelijk het herzieningsverzoek enkel is beoordeeld door verweerder als een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit. In de bezwaarfase heeft eiser benoemd dat zijn omstandigheden zijn veranderd en dat er geen sprake meer is van duurzaam niet beschikken over arbeidsvermogen dan wel het ontbreken van basale werknemersvaardigheden. Daarover heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 16 juli 2019 gerapporteerd. Deze arts concludeert (op pagina 10) dat er geen sprake is medische zaken die niet bekend waren of hadden kunnen zijn op de datum waarop de beslissing ziet: 26-7-2019 (de rechtbank neemt aan dat bedoeld wordt: 2016). Daarbij heeft deze arts betrokken de overgelegde informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van [organisatie 2] van 7 november 2018. In die informatie staat dat het een intakegesprek betrof met een verzoek om diagnostiek persoonlijkheidsstoornis. Eiser heeft tijdens de hoorzitting aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgelegd dat hijzelf een onderzoek bij [organisatie 2] had aangevraagd, echter toen bleek dat hij geen vrouwelijke, maar een mannelijke onderzoeker kreeg, heeft hij dit onderzoek afgebroken. Ook zijn familie zou niet bereid zijn mee te werken aan een nader onderzoek over eisers jeugd. In het verslag van [organisatie 2] van
7 november 2018 staat vermeld dat de anamnese werd afgenomen. Daarin is de visie van eiser vermeld met een voorlopige DSM classificatie (o.a. autismespectrumstoornis) en de conclusie: geen verdere diagnostiek.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert ook dat geen sprake is van Amber, omdat er geen zaken worden aangedragen waaruit blijkt dat eiser op deze datum verdergaand beperkt was dan reeds aangegeven. Er worden ook geen gegevens aangedragen die bij een eerdere beoordeling ook al aanwezig hadden kunnen zijn waardoor de eerdere beoordeling mogelijk een onjuiste conclusie betrof. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de bestreden beslissing, in het licht van de ingediende bezwaren.
9. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen, als het gaat om de beoordeling op grond van artikel 4:6 vanPro de Awb van het verzoek om terug te komen van de eerdere beslissing van 26 juli 2016. Immers eiser heeft geen nieuwe medische informatie aangedragen.
10. Voor zover eiser heeft bedoeld dat sprake is van een nieuwe situatie, omdat hij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt waardoor hij inmiddels wel beschikt over arbeidsvermogen, kan de rechtbank de motivering van deze verzekeringsarts niet volgen. De verwijzing naar een Amber situatie gaat hier niet op, omdat eiser geen verslechtering bepleit maar juist een verbetering van zijn arbeidsvermogen. Daar gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op in. In zoverre kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
11. Daarnaast vindt de rechtbank dat er ook een motiveringsgebrek kleeft aan de heroverweging van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 juli 2019. Deze arbeidsdeskundige vermeldt in zijn rapportage dat eiser laatstelijk heeft gewerkt bij de rechtbank [plaatsnaam] als [.] , waarbij de proefplaatsing is afgewezen door het Uwv in verband met het feit dat er sprake is van ‘geen arbeidsvermogen’. In de heroveroverweging is geconcludeerd dat er ongewijzigd sprake is van ‘geen arbeidsvermogen’ op medische gronden. Verwacht had mogen worden dat deze arbeidsdeskundige beter had uitgelegd waarom de informatie, die eiser heeft overgelegd van de jobcoach van [organisatie 1] , van 7 juni 2019, niet tot een andere conclusie kon leiden. Volgens de jobcoach van [organisatie 1] had eiser een positieve indruk achtergelaten gedurende de 3 weken die hij als [.] heeft gewerkt. Zonder verdere uitleg is de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor eiser onbegrijpelijk.
12. De rechtbank zal het bestreden besluit van 6 augustus 2019 daarom vernietigen. De rechtbank vindt dat de gemachtigde van verweerder op de zitting alsnog een goede motivering heeft gegeven met betrekking tot beide hiervoor geconstateerde gebreken. Op de zitting is gewezen op het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was bij de hoorzitting en een beoordeling heeft gegeven van de psyche van eiser nadat deze arts met eiser heeft gesproken. Uit die beoordeling komt naar voren dat eiser geen hand geeft bij binnenkomst en weggaan en dat hij niet groet. Er is beperkt oogcontact, vrij beperkte mimiek, waarbij eiser aanvankelijk stottert maar dat in de loop van het gesprek iets verbetert. Volgens deze arts herhaalt eiser veel uit het hoofd wat al in het bezwaarschrift is gesteld, met name de gestelde diagnoses zoals ten aanzien van de zwakzinnigheid. De stemming imponeert niet als overwegend depressief. Verweerder heeft ook benadrukt dat de diagnose autismespectrumstoornis al die jaren vermeld wordt en ook nu nog vermeld is in de medische stukken. Volgens verweerder is daarmee voldoende informatie verkregen om te concluderen dat er geen wijzigingen zijn in medisch opzicht, ook niet voor de toekomst. Daarom kan de conclusie worden gehandhaafd dat er duurzaam geen arbeidsvermogen is. Volgens verweerder gaat het beroep op de richtlijnen rond een jonggehandicapte in het Compendium Participatiewet hier niet op. Die paragraaf is met name bedoeld voor jongvolwassenen, die zich na hun 18e jaar nog verder kunnen ontwikkelen. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat eiser inmiddels 40 jaar is.
Verder heeft verweerder op de zitting uitgelegd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de bezwaarfase nog heeft geprobeerd informatie te krijgen over de gewerkte periode als [.] bij de rechtbank te [plaatsnaam] . Dat is niet gelukt. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij haar conclusie bleef dat er in medisch opzicht geen wijziging is, heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep daarop zijn conclusie gebaseerd. Een nader arbeidskundig onderzoek naar een gewerkte periode van drie weken kan de conclusie, dat er in medisch opzicht niets is veranderd, niet aantasten. De rechtbank vindt dat verweerder hiermee ook een toereikende motivering heeft gegeven ten aanzien van het in 7.3 en 7.4 gegeven criterium.
13. De rechtbank zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven. Dat betekent dat de rechtbank het eens is met de conclusie van verweerder dat eiser duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. De rechtbank zal het verzoek van eiser een deskundige te benoemen afwijzen. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist heeft vastgesteld dat hij geen arbeidsvermogen heeft. Daarbij betrekt de rechtbank het feit dat eiser zelf het onderzoek bij [organisatie 2] in 2018 heeft afgebroken. Dat er niet meer medische informatie beschikbaar is, is in dit geval voor risico van eiser.
Proceskosten
14. De rechtbank heeft hiervoor onder 10. en 11. overwogen dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan eiser terug te betalen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 525,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de door eiseres gemaakte proceskosten in de bezwaarfase [3] .
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 6 augustus 2019;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is op 30 juli 2020 gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Voetnoten
1.Uitspraak van 15 mei 2018 van de Rechtbank Gelderland, zaaknummer: 17/2072.