Verzoeker ontving een WIA-uitkering waarvan de hoogte niet werd gewijzigd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden. Verzoeker ging in verzet tegen deze uitspraak, maar dit werd ongegrond verklaard omdat de rechtbank oordeelde dat de termijn op 14 juni 2017 was verstreken terwijl verzoeker pas op 15 juni 2017 zijn gronden indiende.
Verzoeker stelde dat de termijn pas op 15 juni 2017 eindigde en dat hij dus tijdig was. De rechtbank wees een herzieningsverzoek af en de Centrale Raad van Beroep verklaarde zich onbevoegd. Vervolgens verzocht verzoeker om rectificatie van de uitspraak van 14 mei 2018.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker inderdaad tijdig was met het indienen van de beroepsgronden. Hoewel dit geen grond voor rectificatie was, besloot de rechtbank ambtshalve de uitspraak van 14 mei 2018 te vervallen en deed opnieuw uitspraak op het verzet. Het verzet werd gegrond verklaard, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring verviel en de beroepsprocedure werd hervat. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.