ECLI:NL:RBMNE:2020:3990
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een twee-onder-één-kapwoning uit 1922, gelegen op een kavel van 256 m² met een inhoud van circa 292 m³. De heffingsambtenaar stelde de waarde voor het belastingjaar 2019 vast op €449.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €374.000,- voor.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de marktwaarde in het economisch verkeer betreft, bepaald op basis van verkoopgegevens van vergelijkbare woningen. Verweerder onderbouwde zijn waardering met een taxatiematrix waarin referentiewoningen werden vergeleken, waarbij rekening werd gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en bouwkundige staat.
Eiser voerde aan dat bepaalde referentiewoningen onterecht werden gebruikt of niet vergelijkbaar waren vanwege afwijkende kenmerken zoals aanpassingen voor een bewoner met een lichamelijke beperking of een slechte staat. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat deze woningen niet als bruikbare referenties konden dienen en dat de waardebepaling voldoende rekening hield met relevante verschillen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de vastgestelde WOZ-waarde van €449.000,-. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 22 juli 2020 en is verzonden aan partijen met de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €449.000,- wordt ongegrond verklaard.