ECLI:NL:RBMNE:2020:4083
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vordering studiefinanciering wegens overschrijding bijverdiengrens 2015
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vordering van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wegens overschrijding van de bijverdiengrens in 2015. De minister stelde een vordering van €4.439,04 vast omdat eiser meerinkomen had, wat eiser betwistte.
De rechtbank oordeelt dat eiser daadwerkelijk meer had verdiend dan de bijverdiengrens van €13.856,11 en dat de vordering terecht is vastgesteld als een compensatoire vordering. Het beroep op de hardheidsclausule faalt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn bijverdiensten niet kon staken of studiefinanciering niet kon stopzetten.
Eiser voerde een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege een telefonisch advies van DUO-medewerker om de lening op nul te zetten, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De rechtbank stelt dat hoge eisen gelden voor het vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een toezegging is gedaan die de wet opzij zet.
De rechtbank constateert een slordigheid in het bestreden besluit, maar acht dit zonder gevolgen. Ook het overschrijden van de beslistermijn leidt niet tot gevolgen omdat deze termijn niet fataal is en eiser geen ingebrekestelling heeft gedaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vordering wegens overschrijding van de bijverdiengrens 2015 wordt ongegrond verklaard.