De rechtbank Midden-Nederland behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen het bevel van de rechter-commissaris tot schorsing van de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte. De verdachte wordt verdacht van een poging tot moord, een zeer ernstig strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat.
De rechter-commissaris had de voorlopige hechtenis geschorst vanwege persoonlijke omstandigheden van de minderjarige, ondanks de ernst van het feit en de gronden voor voorlopige hechtenis. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat bij een dergelijk ernstig feit geen ruimte bestaat voor schorsing, tenzij er zwaarwegende persoonlijke belangen zijn, wat hier niet het geval is.
De verdediging benadrukte de kwetsbaarheid van de minderjarige, het positieve advies van de Raad voor de Kinderbescherming en het belang dat verdachte het proces in vrijheid kan afwachten om school en werk te hervatten. De rechtbank oordeelde echter dat het maatschappelijk belang, mede vanwege de ernst van het feit en mogelijke maatschappelijke onrust, prevaleert boven het persoonlijk belang van verdachte.
Daarom verklaarde de rechtbank het hoger beroep van de officier van justitie gegrond, vernietigde het schorsingsbevel en bepaalde dat de voorlopige hechtenis onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd.