De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf van betrokkene op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd).
Betrokkene en zijn advocaat verzetten zich tegen het verzoek, stellende dat er geen sprake is van een stoornis of ernstig nadeel. De medische verklaring vermeldde een matig gevorderde cognitieve stoornis, maar er ontbrak concrete informatie over de diagnose en het nadeel. Betrokkene vertoonde verbaal verzet maar geen fysiek verzet en verbleef al maanden binnen de instelling.
De rechtbank achtte de diagnose dementie zoals gesteld door een onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde betrouwbaar, en constateerde ernstig nadeel door verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Gezien het ontbreken van een arts bij de zitting en onduidelijkheid over het zorgplan, besloot de rechtbank de behandeling aan te houden tot een nieuwe zitting met aanwezigheid van een arts/specialist.
De rechtbank wees ook op het verschil in toetsing van verplichte zorg tussen de Wzd en de Wvggz, waarbij bij de Wzd de zorgverantwoordelijke beslist over toepassing van onvrijwillige zorg na multidisciplinair overleg. De zaak wordt voortgezet op 5 oktober 2020 via een Skypezitting.