ECLI:NL:RBMNE:2020:4251

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2020
Publicatiedatum
7 oktober 2020
Zaaknummer
20-977
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk wegens ontbreken minnelijke regeling

Verzoekster heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend wegens schulden bij tien concurrente schuldeisers. Zij is gescheiden, waarbij de echtscheiding op 31 juli 2020 is uitgesproken. De schuldsanering werd aangevraagd zonder dat vooraf een minnelijke schuldregeling was geprobeerd, wat wettelijk verplicht is.

De schuldhulpverlener gaf aan dat vanwege de echtscheidingsprocedure en onduidelijkheid over de schulden van de vennootschap van de ex-partner direct WSNP werd aangevraagd. De rechtbank oordeelt echter dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn die het overslaan van een minnelijke regeling rechtvaardigen. Daarnaast moet de schuldhulpverlening samen met verzoekster alle schulden in kaart brengen, ook die van de vennootschap, om aansprakelijkheid te beoordelen.

De rechtbank wijst erop dat het bezit van een auto zonder noodzaak als niet saneringsgezind wordt beschouwd. Verzoekster wordt geen termijn gegund om aanvullende gegevens te verstrekken, omdat het minnelijk traject niet binnen een maand kan worden afgerond. Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een beproefde minnelijke schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/507884 / FT RK 20/977 MN
uitspraakdatum: 9 oktober 2020
uitspraak op grond van artikel 285 van Pro de Faillissementswet (Fw)
(“verzoek niet-ontvankelijk”)
enkelvoudige kamer
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] .

1.De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van 18 augustus 2020;
- de aantekeningen van de Skype zitting gehouden op 2 oktober 2020, waar [verzoekster] , bijgestaan door [A] van de schuldhulpverlening van de Gemeente Utrecht, is verschenen.

2.De feiten en standpunten

2.1.
[verzoekster] heeft 10 concurrente schuldeisers, die € 8.033,64 van haar te vorderen hebben. [verzoekster] heeft met haar ex-partner twee minderjarige kinderen, die bij haar wonen.
2.2.
Op 21 mei 2019 heeft [verzoekster] een verzoek tot echtscheiding bij deze rechtbank ingediend. Deze is op 31 juli 2020 uitgesproken. In het verzoekschrift tot echtscheiding heeft [verzoekster] verzocht de gezamenlijke schulden aan haar toe te delen en haar ex-partner, met wie [verzoekster] in gemeenschap van goederen gehuwd was, te veroordelen € 3.810,44 aan [verzoekster] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gezamenlijke auto is aan [verzoekster] toebedeeld waarvoor zij € 500,-- aan haar ex-partner dient te vergoeden. De ex-partner van [verzoekster] is vennoot in een vennootschap onder firma.
2.3.
Voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift heeft de schuldhulpverlening geen buitengerechtelijke schuldregeling (de zogenaamde minnelijke regeling) beproefd. Hierover verklaart zij als volgt:
“….. De keuze om direct WSNP aan te vragen ligt aan het feit dat zij op dit moment nog gehuwd is in gemeenschap van goederen met de heer *. Betrokkene heeft inmiddels een echtscheidingsprocedure lopen. De uitspraak wordt op korte termijn verwacht. De heer * heeft een bedrijf en dit bedrijf loopt slecht en heeft veel schulden. Echter door chaos in de boekhouding is niet te achterhalen welke schulden er zijn uit het bedrijf. Dit betekent dat als er een minnelijk traject voor mevrouw wordt opgestart en dit zou slagen, mevrouw alsnog niet uit de schulden zou zijn, omdat de schuldeisers van het bedrijf op een later tijdstip ook bij haar verhaal kunnen halen. Ik wil u dan ook vragen om dit verzoek toch in behandeling te nemen....”
2.4.
Ter zitting heeft de schuldhulpverlener de rechtbank verzocht om aanvullende stukken in te mogen leveren, alvorens de rechtbank op het verzoek gaat beslissen.
2.5.
[verzoekster] heeft ter zitting verklaard een auto nodig te hebben omdat ze gewend is hiermee te reizen met haar nog jonge kinderen van 2 en 4 jaar oud. Nadat de schuldhulpverlening haar gewezen heeft op het feit dat ze én schulden heeft én er geen noodzaak bestaat voor het hebben van een auto (met de bijbehorende kosten), heeft [verzoekster] geregeld dat haar ex-partner de kosten van de auto gaat betalen. [verzoekster] werkt op dit moment niet vanwege psychische problemen. De onderlinge afspraken zoals bepaald in het echtscheidingsvonnis zijn, wat betreft de overeengekomen € 3.810,44 te ontvangen van haar ex-partner en de € 500,-- die [verzoekster] voor de haar toegedeelde auto aan haar ex-partner dient te vergoeden, beide (nog) niet nagekomen. [verzoekster] verklaart dat de gehele echtscheidingsprocedure via een advocaat gevoerd is.

3.De beoordeling

3.1.
De wetgever heeft het van belang geacht dat voorafgaande aan de wettelijke schuldsanering een buitengerechtelijke schuldregeling wordt beproefd. Bij een verzoek tot toepassing tot de wettelijke schuldregeling dient een verklaring te worden overgelegd als omschreven in artikel 285 lid Pro 1, onder f Fw. Uit een dergelijke verklaring dient de rechtbank te kunnen beoordelen of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd. In dit traject moet de schuldenaar zijn best gedaan hebben om met zijn schuldeisers tot een regeling te komen voor zijn schulden (zie Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 18) en moet uitputtend zijn onderzocht of tussen schuldeisers en schuldenaar een minnelijke schikking kan worden getroffen (Kamerstukken II 2005-2006, 29942, nr. 7, p. 28). Alleen in geval van zeer bijzondere omstandigheden kan de rechtbank besluiten dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling geen zin meer heeft.
3.2.
De rechtbank oordeelt dat hiervan in dit verzoek geen sprake is. De gegeven verklaring van de schuldhulpverlener klemt temeer omdat sinds de indiening van het echtscheidingsverzoek op 21 mei 2019 geen gemeenschap van goederen meer bestaat. Ook het tweede argument aangedragen door de schuldhulpverlening wordt niet door de rechtbank onderschreven. De schuldhulpverlening moet, samen met [verzoekster] , juist binnen het schuldhulpverleningstraject alle schulden van [verzoekster] in kaart brengen en daarnaast onderzoek doen naar in hoeverre [verzoekster] aansprakelijk is voor schulden uit de VOF van haar ex-partner. Daarbij is onder andere van belang wanneer deze schulden zijn ontstaan, omdat immers vanaf mei 2019 geen sprake meer is van een huwelijksgoederen gemeenschap. Ook kan de inhoud van het vennootschapscontract van belang zijn. Daarnaast wijst de rechtbank [verzoekster] nog eens op het feit dat het in bezit hebben van een auto, die niet nodig is voor werk of medisch noodzakelijk, terwijl er schulden bestaan, als niet saneringsgezind beschouwd wordt.
3.3.
De rechtbank gunt [verzoekster] geen termijn als bedoeld in artikel 287, tweede lid, Fw om de ontbrekende gegevens te verstrekken. Zeker nu de schuldenlijst nog niet definitief vastgesteld is, is een termijn van één maand niet toereikend om een minnelijk traject af te wikkelen.
3.4.
[verzoekster] zal op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Penders en in het openbaar uitgesproken door mr. R.J. Verschoof op 9 oktober 2020. [1]