ECLI:NL:RBMNE:2020:4275
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning ondanks waardestijging en gebreken
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een in 1983 gebouwde rijwoning centraal. De gemeente had de waarde voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op €194.000,-, welke na bezwaar werd verlaagd naar €190.000,-. Eiser voerde aan dat de vergelijkingsobjecten niet goed vergelijkbaar waren en dat er onvoldoende rekening was gehouden met gebreken zoals rot houtwerk, enkel glas en lekkage.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waardebepaling zorgvuldig was uitgevoerd met behulp van een taxatierapport en een taxatiematrix, waarin rekening was gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, bouwkwaliteit en onderhoudsstaat. De woning had de laagste prijs per m2, waarmee de gebreken voldoende waren verdisconteerd.
Daarnaast stelde eiser dat de waardestijging van ruim 15% ten opzichte van de waardepeildatum 1 januari 2017 onrealistisch was. De rechtbank stelde dat een dergelijke stijging niet automatisch betekent dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, omdat de waardebepaling jaarlijks wordt gebaseerd op recente verkoopprijzen die kunnen fluctueren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.