Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2020:4303

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 september 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 20/1689
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onzorgvuldige intrekking en terugvordering bijstandsuitkering; terugverwijzing naar bestuursorgaan

Eiser kreeg zijn bijstandsuitkering ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf april 2017 en werd geconfronteerd met een terugvordering van ruim €14.900. Verweerder stelde dat eiser voldoende inkomsten had via een WIA-uitkering en loonheffingskorting, maar kon niet aantonen of eiser daadwerkelijk onder de bijstandsnorm leefde of hoe het terugvorderingsbedrag was berekend.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende inzicht had gegeven in de financiële situatie van eiser en dat de besluitvorming niet zorgvuldig was verlopen, mede doordat de gemachtigde van eiser niet betrokken was bij de bezwaarprocedure na terugverwijzing. Hierdoor kon het bestreden besluit niet in stand blijven.

De rechtbank vernietigde het besluit, veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De zaak werd terugverwezen voor een zorgvuldige herbeoordeling.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1689

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

17 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hofstee).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 11 april 2017 ingetrokken en de teveel betaalde bijstand over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 30 september 2017 teruggevorderd tot een bedrag van € 1.640,12.
Verweerder heeft ook het resterend bedrag aan schulden van eiser bij de terugvordering betrokken. In totaal wordt een bedrag van € 14.936,55 teruggevorderd.
Bij besluit van 9 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit
niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep aangetekend. Dit beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 22 februari 2019 gegrond verklaard (UTR 18/2404).
Bij besluit van 12 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 augustus 2017 tot en met
30 september op nihil gesteld en voor het overige in stand gelaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.
De gemachtigde van verweerder is verhinderd de zitting bij te wonen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.050,-
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.

Overwegingen die tot deze beslissing hebben geleid

1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bijstandsuitkering van eiser terecht is ingetrokken vanaf 11 april 2017 omdat eiser vanaf deze datum een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontving. Wanneer eiser de loonheffingskorting hierop zou laten toepassen en zijn echtgenote de heffingskorting voor minst verdienende partner zou aanvragen, zou sprake zijn van voldoende inkomsten waarmee eiser in zijn bestaan had kunnen voorzien. Verweerder vordert daarom teveel betaalde bijstand terug tot een bedrag van € 13.296,43 (€ 14.936,55 - € 1.640,12). Bij dit bedrag is ook een restschuld van eiser betrokken.
2. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre eiser daadwerkelijk onder of boven de voor hem geldende bijstandsnorm heeft geleefd in 2017. Tevens heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe het totale terugvorderingsbedrag tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt voorts dat het, gelet op de zorgplicht van bestuursorganen naar burgers toe, voor de hand had gelegen dat verweerder de gemachtigde van eiser zou betrekken bij de verdere behandeling van zijn bezwaar na terugverwijzing door de rechtbank. Ook in de complexiteit van de zaak ziet de rechtbank voldoende aanleiding daartoe. Verweerder was immers ervan op de hoogte dat er een gemachtigde betrokken was bij de zaak maar heeft verzuimd contact op te nemen met de gemachtigde van eiser.
3. Gelet op het op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming in deze zaak niet op een zorgvuldige manier heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat niet duidelijk is of verweerder op juiste gronden over is gegaan tot de intrekking van de bijstandsuitkering en ook onduidelijk is hoe het terugvorderingsbedrag tot stand is gekomen. Verweerder dient over de intrekking en de terugvordering van de bijstandsuitkering een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 september 2020.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.