ECLI:NL:RBMNE:2020:4307
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Kaakchirurg schendt zorgplicht door behandeling af te breken na weigering handdruk om religieuze redenen
Eiseres werd verwezen naar een kaakchirurg voor het trekken van een verstandskies. Tijdens het consult weigerde zij vanwege haar moslimgeloof de uitgestoken hand van de kaakchirurg aan te nemen. Hierop brak de kaakchirurg de behandeling af. Eiseres stelde dat dit een toerekenbare tekortkoming was en dat er sprake was van discriminatie op grond van godsdienst, en vorderde een verklaring voor recht en schadevergoeding.
De kantonrechter stelde vast dat de kaakchirurg de behandeling onrechtmatig had afgebroken in strijd met artikel 7:460 BW Pro en dat het weigeren van een hand een gedraging is die door de Algemene Wet Gelijke Behandeling wordt beschermd. De beëindiging van de behandeling na uitleg van eiseres over haar geloofsovertuiging vormde onderscheid op grond van godsdienst, in strijd met artikel 7 AWGB Pro.
Hoewel de kaakchirurg geen discriminatie-intentie had en een vertrouwensbreuk als reden aanvoerde, was er geen objectieve rechtvaardiging voor het afbreken van de behandeling. De kantonrechter wees de gevorderde schadevergoeding af omdat eiseres onvoldoende concrete gegevens over geestelijk letsel of ernstige persoonlijke gevolgen had aangevoerd. De reeds betaalde vergoeding van €500 werd als passend beschouwd.
De kantonrechter verklaarde voor recht dat de kaakchirurg in strijd met de Grondwet, het EVRM en de AWGB had gehandeld, wees de overige vorderingen af en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: De kaakchirurg heeft onrechtmatig gehandeld door de behandeling af te breken vanwege religieuze redenen, maar de schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.