AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen terugvordering zorgtoeslag en afwijzing schadevergoeding
Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve vaststelling en terugvordering van zorgtoeslag over de jaren 2016 en 2017. De Belastingdienst stelde het recht op zorgtoeslag voor 2016 vast op €55,- en voor 2017 op nihil, met terugvorderingen van respectievelijk €402,- en €681,-. Het bezwaar tegen 2016 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Het bezwaar tegen 2017 werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen 2016 terecht niet-ontvankelijk was omdat het te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Ten aanzien van 2017 stelde de rechtbank vast dat de Belastingdienst terecht uitging van het door eiser geschatte toetsingsinkomen en dat het inkomen dat eiser aan het kantoor Buitenland had doorgegeven niet relevant was voor de voorschotverlening. De woonlandfactor werd pas bij de definitieve berekening toegepast nadat de Belastingdienst een melding van het CAK ontving.
Eisers verzoek om kwijtschelding van de terugvordering en om schadevergoeding wegens vermeende incompetentie van de Belastingdienst werd afgewezen. De rechtbank stelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die tot matiging van de terugvordering leidden en dat er geen sprake was van een onrechtmatig besluit. Ook de griffierechten werden terecht geheven omdat het om twee afzonderlijke besluiten ging.
Uitkomst: De beroepen tegen de terugvordering zorgtoeslag over 2016 en 2017 worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 19/5139 en 19/5285
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , Duitsland, eiser,
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: Z.M. Orhan en mr. S. Akbulut).
Procesverloop
Bij besluit van 31 december 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op zorgtoeslag van eiser voor het jaar 2016 opnieuw definitief vastgesteld op € 55,- en het te veel uitbetaalde voorschot, inclusief rente, van € 402,- teruggevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 juli 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder het recht op zorgtoeslag van eiser voor het jaar 2017 definitief vastgesteld op nihil (€ 0,-) en het te veel uitbetaalde voorschot, inclusief rente, van € 681,- teruggevorderd. Eiser heeft ook hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 oktober 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.
Bij besluit van 18 november 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Zorgtoeslag 2016
1. Eiser heeft op 10 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 december 2018 over de vaststelling en terugvordering van zijn zorgtoeslag over het jaar 2016. Verweerder heeft het bezwaarschrift van 10 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend en de termijnoverschrijding volgens verweerder niet verschoonbaar is.
2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de wet heeft eiser zes weken de tijd om bezwaar te maken, gerekend vanaf de dag na die van de dagtekening van het besluit. [1] Dit betekent dat eiser tot 12 februari 2019 bezwaar kon maken. Eiser heeft op 10 augustus 2019 bezwaar gemaakt. Dat is dus te laat. Eiser geeft als reden voor het te laat indienen van zijn bezwaarschrift, dat hem per brief van 18 februari 2019 zou zijn medegedeeld dat de terugvordering van € 402,- zou worden verrekend met een toeslag die hij nog zou ontvangen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat het te laat ingediende bezwaarschrift alsnog behandeld kan worden. Er is dus geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond.
Zorgtoeslag 2017
4. Eiser voert aan dat de definitieve berekening van de zorgtoeslag over 2017 niet klopt. Verweerder is bij de voorschotverlening van een onjuist geschat toetsingsinkomen uitgegaan. Volgens eiser moet verweerder het inkomen hanteren dat hij heeft doorgegeven aan het kantoor Buitenland van de Belastingdienst.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de definitieve berekening over 2017 terecht op € 0,- is vastgesteld en dat terecht € 681,- is teruggevorderd. Volgens verweerder kon hij bij de voorschotverlening geen rekening houden met het inkomen dat eiser had doorgegeven aan het kantoor Buitenland, omdat verweerder niet van dat inkomen op de hoogte was. Het kantoor Buitenland van de Belastingdienst en de Belastingdienst/Toeslagen zijn twee verschillende bestuursorganen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zorgtoeslag voor eiser over 2017 terecht op € 0,- heeft vastgesteld en in redelijkheid € 681,- heeft teruggevorderd. Verweerder heeft terecht aan de hand van het door eiser geschatte toetsingsinkomen van
€ 23.170,- het voorschot zorgtoeslag voor 2017 berekend. Het inkomen dat eiser aan het kantoor Buitenland van de Belastingdienst, heeft doorgegeven, heeft verweerder bij de voorschotverlening buiten beschouwing kunnen laten. Daarmee heeft eiser zijn inkomen namelijk niet doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. Verder heeft eiser ook geen inkomenswijzigingen doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur van de belastingdienst het verzamelinkomen 2017 van eiser heeft vastgesteld op € 26.121,-. Voor de definitieve berekening over 2017 is verweerder terecht uitgegaan van dit toetsingsinkomen. [2]
7. Eiser voert verder aan dat verweerder de woonlandfactor al bij de voorschotverlening voor 2017 had moeten toepassen. In 2006 was verweerder namelijk al op de hoogte van zijn woonadres in Duitsland.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij pas op 6 april 2018 een melding van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) heeft ontvangen dat eiser met ingang van 3 april 2011 zorgverzekerd was volgens artikel 69 vanPro de Zorgverzekeringswet. Dat eiser al sinds 1 december 2005 in Duitsland woont volgens de Basisregistratie Personen, is voor verweerder geen reden om eerder de woonlandfactor toe te passen.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht pas bij de definitieve berekening van zorgtoeslag over 2017 rekening heeft gehouden met de woonlandfactor. Vaststaat dat verweerder op 6 april 2018 de melding van het CAK heeft ontvangen dat eiser met ingang van 3 april 2011 zorgverzekerd is op grond van artikel 69 vanPro de Zorgverzekeringswet. Hieruit volgt dat verweerder pas vanaf dat moment voor de berekening van de zorgtoeslag van eiser rekening moet houden met de woonlandfactor. Dat verweerder al eerder op de hoogte was van het feit dat eiser in Duitsland woont, betekent niet dat verweerder ook eerder bij het berekenen van het voorschotbedrag voor 2017 de woonlandfactor had moeten toepassen. Verweerder is voor de toepassing van de woonlandfactor namelijk afhankelijk van de melding van het CAK.
Kwijtschelding
10. Eiser verzoekt om kwijtschelding van de terugvordering van de zorgtoeslag.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om van de terugvordering af te zien. De terugvordering is ontstaan door een hoger vastgesteld toetsingsinkomen en door toepassing van de woonlandfactor. Dit zijn volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afzien of matiging van de terugvordering.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen om niet af te zien van terugvordering of het bedrag van de terugvordering te matigen. Verweerder kan dit onder bijzondere omstandigheden doen. [3] In dit geval is er inderdaad geen sprake van een bijzondere omstandigheid, omdat de terugvordering is ontstaan door een verschil tussen het geschatte toetsingsinkomen bij de voorschotverlening en het vastgestelde toetsingsinkomen [4] en toepassing van de woonlandfactor.
13. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond is.
Overige bezwaren van eiser
14. Eiser heeft nog veel andere bezwaren naar voren gebracht. Deze bezwaren worden bij de behandeling van dit beroep buiten beschouwing gelaten, omdat deze beroepsprocedure alleen gaat over de bestreden besluiten die betrekking hebben op de definitieve berekening zorgtoeslag over 2016 en 2017.
Verzoek om vergoeding proceskosten, schadevergoeding en griffierecht
15. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding. Door de incompetentie van verweerder en het niet nakomen van verrekeningen heeft eiser veel kosten gemaakt. Hij verzoekt daarom zijn kosten voor het bezwaar, de griffiekosten en de kosten voor het aangetekend verzenden van stukken te vergoeden.
16. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding af. Voor zover het verzoek ziet op een vergoeding van zijn proceskosten, wijst de rechtbank dit verzoek af op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van eiser is ongegrond en daarnaast vallen de kosten niet onder de kosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
17. Voor zover eiser zijn verzoek om schadevergoeding baseert op artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, wordt het verzoek ook afgewezen, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit van verweerder of een onrechtmatige voorbereidingshandeling.
18. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat terecht tweemaal griffierecht is geheven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen twee afzonderlijke bestreden besluiten die zien op verschillende toeslagjaren. De besluiten kunnen daarom niet als samenhangende besluiten worden beschouwd, waar slechts eenmaal griffierecht voor wordt geheven. [5] Dat eiser één beroepschrift heeft ingediend, maakt dit niet anders.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 29 september 2020 gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voetnoten
1.Dit volgt uit artikel 35 vanPro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
2.Dit volgt uit de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Awir en de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder o, en 21, onderdeel e, aanhef en onder 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
3.Zie het Verzamelbesluit Toeslagen (Stcrt. 2020, 22720) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:19:3536.
4.Dit volgt uit paragraaf 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.