ECLI:NL:RBMNE:2020:4357
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen beëindiging betalingsregeling wegens niet-naleving ongegrond verklaard
Eiser had een schuld bij verweerder en loste maandelijks € 10,- af. Verweerder stelde vast dat eiser de betalingsregeling niet was nagekomen en trok deze bij besluit van 3 december 2019 in. Verweerder ging vervolgens maandelijks een bedrag inhouden op de AOW-uitkering van eiser. Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit bezwaar werd op 27 maart 2020 ongegrond verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
Tijdens het proces stelde eiser dat hij zijn betalingsverplichting wel was nagekomen omdat er een verrekening had plaatsgevonden van een ander bedrag dat hoger was dan de aflossing volgens de regeling. Ook betoogde hij dat de beëindiging van de regeling volgens burgerlijk recht had moeten plaatsvinden, wat niet was gebeurd. De rechtbank oordeelde dat het niet nakomen van de betalingsverplichting in 2018 en 2019 vaststond en dat de verrekening van een ander bedrag dit niet compenseerde.
De rechtbank stelde dat verweerder op grond van artikel 4:96 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bevoegd was de regeling in te trekken vanwege het verzuim van eiser, zonder dat de regels van het burgerlijk recht daarbij een rol speelden. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de betalingsregeling en de verrekening met de AOW-uitkering is ongegrond verklaard.