ECLI:NL:RBMNE:2020:4365
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning met proceskostenveroordeling
Eiser is eigenaar van een vrijstaande woning en betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €680.000,- voor het jaar 2019. Eiser vordert een lagere waarde van €641.000,-. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatierapport en een matrix waarin vergelijkingsobjecten en waarderingsfactoren (KOUDV) zijn verwerkt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan de bewijslast heeft voldaan en dat de gehanteerde vergelijkingsmethode en objecten geschikt zijn. De door eiser aangevoerde bezwaren over de doelmatigheid van de schuine kap en de ligging van de woning slagen niet wegens onvoldoende onderbouwing.
Eiser stelt dat verweerder in strijd met artikel 40 van Pro de Wet WOZ en artikel 7:4 van Pro de Awb de grondstaffels en taxatiegegevens pas in de beroepsfase heeft verstrekt, waardoor hij onvoldoende inzicht had in de waardebepaling. De rechtbank erkent dit gebrek, maar ziet geen aanleiding om de uitspraak op bezwaar te vernietigen omdat eiser alsnog kennis heeft kunnen nemen van de gegevens en zijn belangen niet zijn geschaad.
Wel leidt dit tot een proceskostenveroordeling ten gunste van eiser voor de in beroep gemaakte kosten. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €1.098,-. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens late verstrekking van taxatiegegevens.