ECLI:NL:RBMNE:2020:4366
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond met proceskostenveroordeling
Eiser, eigenaar van een hoekwoning, betwistte de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van €297.000,- voor het jaar 2019 en stelde een lagere waarde van €259.000,- voor. De gemeente handhaafde de waarde en onderbouwde deze met een taxatierapport en een matrix waarin de grondstaffel en KOUDV-factoren waren verwerkt.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente aan haar bewijslast had voldaan en dat de gehanteerde vergelijkingsmethode en objecten passend waren. De door eiser aangevoerde ondoelmatige tuinindeling werd door de rechtbank niet als reden gezien om de waarde te verlagen, mede omdat de taxateurs dezelfde grondstaffel gebruikten.
Eiser stelde dat de gemeente in strijd met artikel 40 van Pro de Wet WOZ de grondstaffel en taxatiegegevens pas in de beroepsfase had verstrekt, terwijl hij deze al in de bezwaarfase had opgevraagd. De rechtbank bevestigde dat deze gegevens op grond van artikel 40 en Pro artikel 7:4 Awb Pro tijdig ter inzage hadden moeten worden gelegd, maar dat dit niet was gebeurd.
Desondanks werd het beroep ongegrond verklaard omdat de waarde niet te hoog was vastgesteld en eiser niet in zijn belangen was geschaad. Wel veroordeelde de rechtbank de gemeente tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens het niet tijdig verstrekken van de gegevens, waardoor een ongelijkwaardige procespositie dreigde te ontstaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.