ECLI:NL:RBMNE:2020:4372

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
19/2986
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning afzuigkanaal vanwege onvoldoende onderbouwing roetemissie

In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een afzuigkanaal bij een spareribsrestaurant. Eiser, wonende boven het restaurant, stelde dat het afzuigkanaal geur- en roetoverlast veroorzaakte, wat nadelige gevolgen had voor zijn woon- en leefklimaat. Na een eerdere tussenuitspraak waarin een gebrek in het besluit werd vastgesteld, gaf verweerder een aanvullende motivering over de werking van de ontgeuringsinstallatie.

De rechtbank oordeelde dat de ontgeuringsinstallatie, bestaande uit meerdere reinigingsstappen, effectief zowel vet- als roetdeeltjes afvangt, mits goed onderhouden. Dit werd onderbouwd met een notitie van een advies- en ingenieursbureau. Eiser maakte geen gebruik van de gelegenheid om zienswijzen in te dienen, terwijl derde-partij het standpunt van verweerder onderschreef.

De rechtbank concludeerde dat het gebrek in het besluit was hersteld en dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de roetdeeltjes geen belemmering vormden voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het afzuigkanaal. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Verweerder werd opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het gebrek is hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2986

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [.] , verweerder
(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. Gellekom)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] (gemachtigde: Y. van der Meulen).

Procesverloop

Op 31 maart 2020 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBMNE:2020:1500). Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
Bij die tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het besluit van 26 juni 2019 te herstellen.
Verweerder heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak op 11 mei 2020, onder verwijzing naar een notitie van [naam advies- en ingenieursbureau] van 7 mei 2020, een aanvullende motivering gegeven.
Derde-partij heeft daarop een schriftelijke zienswijze gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek op 30 september 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank moet in deze einduitspraak beoordelen of verweerder erin is geslaagd om het bij tussenuitspraak van 31 maart 2020 geconstateerde gebrek te herstellen. Voor de rechtbank is bij deze beoordeling het uitgangspunt wat zij al in die tussenuitspraak heeft overwogen.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser woont boven het spareribsrestaurant van derde-partij. De afzuiginstallatie van het restaurant liep via een ondergronds kanaal naar de tuin. Na klachten van omwonenden over geur- en rookoverlast, is derde-partij gaan kijken naar een andere oplossing. De oplossing is gevonden in het verplaatsen van het afzuigkanaal tegen de achtergevel van het pand waarin het restaurant is gevestigd. Derde-partij heeft hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd en verweerder heeft deze vergunning verleend. Met het bestreden besluit van 26 juni 2019 is deze vergunning in stand gebleven. Het afzuigkanaal is inmiddels verplaatst en sindsdien ervaart eiser geuroverlast. Omdat het afzuigkanaal nadelige gevolgen heeft voor zijn woon- en leefklimaat, heeft eiser beroep ingesteld.
De tussenuitspraak
3. Eiser heeft beroepsgronden aangevoerd over de geurhinder en roetdeeltjes. Ten aanzien van geurhinder heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak overwogen dat de door [naam advies- en ingenieursbureau] uitgevoerde geurmetingen representatief zijn geweest. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat verweerder wat betreft het aspect geur, gelet op de uitkomsten van de onderzoeken van [naam advies- en ingenieursbureau] , geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de belangen van eiser. De rechtbank oordeelde dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het afzuigkanaal niet tot onaanvaardbare geurhinder leidt.
4. Verder heeft de rechtbank overwogen dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het door eiser in bezwaar aangevoerde over roetdeeltjes en dat geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. In de tussenuitspraak staat daarover kort gezegd dat de rechtbank uit de rapporten van [naam advies- en ingenieursbureau] niet heeft kunnen afleiden of de aanwezigheid van roetdeeltjes is onderzocht. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk of de conclusie van [naam advies- en ingenieursbureau] over de werking van de filters van de ontgeuringsinstallatie, behalve op vetdeeltjes ook betrekking heeft op roetdeeltjes. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd of al dan niet sprake is van emissie van roetdeeltjes uit het vergunde afzuigkanaal en zo ja, wat de ruimtelijke gevolgen daarvan zijn en of dit gevolgen heeft voor het bestreden besluit.
De herstelpoging van verweerder
5. Verweerder heeft in de brief van 11 mei 2020 een nadere motivering gegeven. In deze brief is uiteengezet dat het gelet op de bedrijfsvoering van het restaurant bijna voor 100% om onvolledige verbranding van vetten gaat en dat daarom in de notitie van [naam advies- en ingenieursbureau] van 13 november 2018 gesproken worden over vetachtige deeltjes. [naam advies- en ingenieursbureau] heeft het in de notitie niet over roet, omdat het onderzoek was gericht op het beoordelen van de geuremissie. Verder schrijft verweerder dat naast de kleine deeltjes van onvolledige verbranding van vetten, ook nog andere kleine koolstofverbindingen via de rookgassen kunnen worden afgevoerd. Al deze koolstofverbindingen passeren na de afzuigkap een fijnmazig elektrostatisch filter, waarmee de koolstofverbindingen worden afgevangen met een effectiviteit van 98%. Volgens verweerder geldt dit zeker voor de roetdeeltjes die niet afkomstig zijn van onverbrande vetten, omdat deze deeltjes doorgaans groter zijn dan de vrijgekomen vetdeeltjes. Na het elektrostatisch filter wordt de luchtstrook door twee zakkenfilters geleid waarmee de nog resterende vet- en roetdeeltjes worden afgevangen.
De conclusie van verweerder is dat met de ontgeuringsinstallatie zowel de vet- als de roetdeeltjes worden afgevangen tot vrijwel nihil, maar in ieder geval tot een aanvaardbaar niveau. Verweerder wijst hierbij nog op de in de vergunning opgenomen onderhoudsverplichting van de ontgeuringsinstallatie. Ter onderbouwing van het standpunt verwijst verweerder naar een aanvullende notitie van [naam advies- en ingenieursbureau] die is opgesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak.
6. [naam advies- en ingenieursbureau] is in een aanvullende notitie van 7 mei 2020 nader ingegaan op de emissie van vet- en roetdeeltjes uit de schoorsteen van [naam derde-partij] . Hierin staat dat bij de werking van de ontgeuringsinstallatie vier reinigingsstappen te onderscheiden zijn; 1. Afzuigkap met vetvanger, 2. Elektrostatisch filter, 3. Zakkenfilters en 4. Koolfilters. [naam advies- en ingenieursbureau] heeft beschreven wat er in deze vier reinigingsstappen met de vet- en roetdeeltjes gebeurt. Volgens [naam advies- en ingenieursbureau] resulteren de vier reinigingstappen samen in een gereinigde rookgassenstroom. De conclusie is dat alle stof- en gasvormige componenten met een goed tot zeer goed rendement worden verwijderd uit de gasstroom en dat dit ook geldt voor vetdeeltjes en roetdeeltjes. [naam advies- en ingenieursbureau] benadrukt hierbij dat een voorwaarde voor goede werking van de installatie als geheel is dat deze goed wordt onderhouden en schoongemaakt.
Zienswijzen
7. De rechtbank heeft eiser en derde-partij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het herstel kenbaar te maken. De rechtbank stelt vast dat eiser van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Derde-partij heeft een zienswijze ingediend waarin staat dat zij het standpunt van verweerder volledig onderschrijft en daaraan niets heeft toe te voegen.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank overweegt dat in de nadere motivering en in de notitie van [naam advies- en ingenieursbureau] de werking van de ontgeuringsinstallatie inzichtelijk staat beschreven. De rechtbank kan deze uitleg goed volgen. Zo beschrijft [naam advies- en ingenieursbureau] bij reinigingsstap 1 dat de vetvanger in de afzuigkap het merendeel van de grotere vetdeeltjes zal afvangen, waarbij eventueel aanwezige roetdeeltjes ook deels worden afgevangen, omdat de roetdeeltjes aan het vet blijven plakken. Het elektrostatisch filter (reinigingstap 2) reinigt de rookgassen verder en haalt met een goed rendement (98%) alle stofvormige deeltjes uit de rookgassen. Dit betreft volgens [naam advies- en ingenieursbureau] vetdeeltjes, roetdeeltjes en alle andere stofvormige componenten. Ook de zakkenfilters (reinigingsstap 3) zijn effectief tegen alle stofvormige deeltjes, waaronder vetdeeltjes en roet. Het koolfilter (reinigingsstap 4) wordt gebruikt om gasvormige componenten af te vangen en is met name geplaatst om de emissies van geur te reduceren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende duidelijk gemaakt dat de ontgeuringsinstallatie niet alleen werkt voor vetdeeltjes, maar ook voor roetdeeltjes.
9. Gelet op de conclusie van [naam advies- en ingenieursbureau] , is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontgeuringsinstallatie ook effectief roetdeeltjes afvangt en dat roetdeeltjes daarom geen belemmeringen vormen voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het afzuigkanaal. Zowel verweerder als [naam advies- en ingenieursbureau] wijzen in hun nadere toelichting nog op het belang van goed onderhoud en goed schoonmaken van de installatie voor een goede werking van de ontgeuringsinstallatie. Zij wijzen daarbij op het onderhoudsplan dat als voorschrift aan de vergunning is verbonden. De rechtbank heeft over dit voorschrift in de tussenuitspraak al een eindbeslissing genomen en ziet dan ook geen aanleiding hierop thans nog in te gaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het gebrek heeft hersteld.
Uitkomst van het beroep
10. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu verweerder met de nadere motivering het gebrek heeft hersteld, zoals hiervoor is geoordeeld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dat wordt vernietigd in stand.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit 26 juni 2019;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2020.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.