In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een afzuigkanaal bij een spareribsrestaurant. Eiser, wonende boven het restaurant, stelde dat het afzuigkanaal geur- en roetoverlast veroorzaakte, wat nadelige gevolgen had voor zijn woon- en leefklimaat. Na een eerdere tussenuitspraak waarin een gebrek in het besluit werd vastgesteld, gaf verweerder een aanvullende motivering over de werking van de ontgeuringsinstallatie.
De rechtbank oordeelde dat de ontgeuringsinstallatie, bestaande uit meerdere reinigingsstappen, effectief zowel vet- als roetdeeltjes afvangt, mits goed onderhouden. Dit werd onderbouwd met een notitie van een advies- en ingenieursbureau. Eiser maakte geen gebruik van de gelegenheid om zienswijzen in te dienen, terwijl derde-partij het standpunt van verweerder onderschreef.
De rechtbank concludeerde dat het gebrek in het besluit was hersteld en dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de roetdeeltjes geen belemmering vormden voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het afzuigkanaal. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Verweerder werd opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.