In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning centraal. Verweerder had de waarde vastgesteld op €220.000 voor het belastingjaar 2019, gebaseerd op een taxatiematrix en recente verkoopcijfers, maar zonder rekening te houden met de eigen aankoopprijs van eiser uit 2017 van €167.500.
Eiser stelde dat de aankoopprijs uit 2017 het meest geschikt was als uitgangspunt voor de waardebepaling, omdat de woning sindsdien nauwelijks was verbeterd. Verweerder voerde aan dat de aankoopprijs niet marktconform was, onder meer omdat de woning in 2020 voor een veel hogere prijs was verkocht en eiser de woning in 2017 van een rechtspersoon had gekocht. Verweerder kon echter geen bijzondere omstandigheden aantonen die de lage aankoopprijs konden verklaren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had onderbouwd dat de aankoopprijs uit 2017 niet marktconform was. De latere verkoop in 2020 lag bovendien te ver van de waardepeildatum. Daarom volgde de rechtbank eiser en stelde de WOZ-waarde vast op €186.000, gebaseerd op een redelijke indexering van de aankoopprijs. De bestreden uitspraak op bezwaar werd vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht en proceskosten.