ECLI:NL:RBMNE:2020:4439
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde hoekwoning in Utrecht bevestigd door rechtbank
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vaststelling van de WOZ-waarde van een hoekwoning in Utrecht centraal. De eigenaar van de woning had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van € 345.000,- voor het belastingjaar 2019, omdat hij een lagere waarde van € 295.000,- voorstond. De rechtbank heeft de zaak behandeld op basis van een taxatiematrix die door de verweerder was overgelegd, waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen uit dezelfde buurt en periode.
De rechtbank oordeelde dat de verweerder aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. De taxatiematrix hield rekening met verschillen in inhoud, perceeloppervlakte en andere waardebepalende factoren. De eigenaar voerde aan dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar waren vanwege verschillen in woningtype en indeling, maar de rechtbank vond dat de gebruikte vergelijkingsmethode adequaat was en dat de verschillen voldoende waren meegenomen.
Daarnaast werd de inhoud van de woning door verweerder gecorrigeerd van 252 m³ naar 353 m³ op basis van een nieuwe meting met 3D-software, wat door de rechtbank werd geaccepteerd. Ook het argument dat de waardestijging niet in lijn was met het gemeentelijke gemiddelde werd verworpen, omdat elke waardebepaling op zichzelf staat en gebaseerd moet zijn op actuele marktgegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 345.000,- is ongegrond verklaard.