Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Waarover gaat deze uitspraak?
Welke beslistermijn moet verweerder aanhouden bij de afhandeling van een klacht?
Wat een redelijke termijn is hangt naar het oordeel van de rechtbank af van de concrete situatie. Verder staat in overweging 141 dat als de zaak verder onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit vereist, de betrokkene tussentijdse informatie moet worden verstrekt.
- eiser binnen drie maanden ófwel een bericht van de voortgang te sturen ófwel zijn klacht geheel af te handelen.
Als de klacht niet binnen drie maanden is afgerond moet verweerder:
- de klacht binnen een redelijke termijn afhandelen;
- en eiser tussentijds binnen een redelijke termijn op de hoogte houden van de voortgang en informeren of er onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit is vereist.
De rechtbank zal hierna bespreken of verweerder in dit geval aan deze vereisten heeft voldaan.
Heeft verweerder eiser binnen drie maanden bericht over de voortgang of de klacht geheel afgehandeld?
Heeft verweerder de redelijke termijn in acht genomen bij de afhandeling van de klacht van eiser?
Niet alleen eiser heeft bij verweerder geklaagd over [naam] , maar er zijn meer klachten over dit bedrijf ontvangen. Verweerder heeft deze klachten gebundeld. Deze klachten vallen in het focusgebied ‘Datahandel’ van verweerder. Verweerder heeft zich voorgenomen om de komende jaren extra aandacht te geven aan klachten over datahandel. Daarom wordt er nu onderzoek gedaan naar een aantal handelsinformatiebureaus, waaronder [naam] . Verweerder heeft verder uiteengezet dat een onderzoek naar een handelsinformatiebureau, zoals [naam] , vanwege de omvang, de complexiteit van de verwerkingen en de beoordeling daarvan een langdurig traject is. Onderdeel van het onderzoek is een onderzoek ter plaatse op het kantoor van [naam] . Dit onderzoek is vanwege de Covid-19-maatregelen, anders dan normaal het geval is, vooraf aangekondigd en heeft plaatsgevonden in de week van 14 september 2020. Het onderzoek ter plaatse heeft drie dagen in beslag genomen en is, vanwege de afwezigheid van bepaalde werknemers bij [naam] , nog steeds niet afgerond. Na het onderzoek ter plaatse worden de onderzoeksgegevens verwerkt. Dit kan leiden tot nader onderzoek. Daarna zal er hoor en wederhoor moeten plaatsvinden met [naam] . Als er een overtreding wordt geconstateerd, zal verweerder daarna een rapport opstellen en een handhavingstraject starten. Verweerder heeft verder toegelicht dat het onderzoek naar [naam] een internationale component heeft, waarbij hij afhankelijk is van de terugkoppeling van toezichthouders uit andere lidstaten van de Europese Unie. Tot slot heeft verweerder nog vermeld dat, vanwege de landelijke ‘lockdown’ als gevolg van de Covid-19 pandemie, het onderzoek te plaatse later is uitgevoerd dan anders het geval zou zijn geweest.
Heeft verweerder eiser voldoende op de hoogte gehouden van de voortgang?
De rechtbank is van oordeel dat er op het moment dat eiser verweerder op 20 januari 2020 in gebreke stelde verder ook geen sprake was van een situatie waarin eiser onwetend was over de voortgang. Het laatste voortgangsbericht dateerde immers van 10 december 2019, waarmee ook de frequentie van de berichtgeving in orde is.
Wat betekent dit voor de beroepen van eiser?
Omdat verweerder nog niet te laat is met beslissen op de klacht van eiser, zijn er ook geen dwangsommen verbeurd en is verweerder dus geen dwangsommen verschuldigd aan eiser. Het beroep tegen het besluit van 16 juli 2020 is dan ook ongegrond.
Heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten?
Beslissing
- het beroep niet-tijdig niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 2020 ongegrond.
mr. M. Eversteijn, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2020.
Rechtsmiddel
[…]
Algemene Verordeningen GegevensbeschermingOverwegingen
1.Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevensinbreuk maakt op deze verordening.
2.De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van de voortgang en het resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijke voorziening in rechte overeenkomstig artikel 78.
1.Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.
2.Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere betrokkene het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de uit hoofde van artikel 77 ingediende Pro klacht
.3.Een procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd.
[…].