ECLI:NL:RBMNE:2020:4464

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
20 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 20/568
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen verleende omgevingsvergunning voor bouwuitbreiding

Eiseres maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die aan vergunninghouders was verleend voor het vergroten van de achterzijde van hun pand tot een hoogte van 6 meter, omdat zij vreesde dat zij hierdoor geen zonlicht meer zou hebben in haar achtertuin. Het bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de omgevingsvergunning getoetst moest worden aan de limitatieve en imperatieve toetsingsgronden van artikel 2.10, eerste lid, Wabo, namelijk het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Omdat de vergunning niet in strijd was met deze toetsingsgronden, was verweerder verplicht de vergunning te verlenen en mocht geen belangenafweging worden gemaakt.

Het bestemmingsplan 'Overvecht - Noordelijke Stadsrand' staat een maximale bouwhoogte van 7 meter toe, en de uitbreiding tot 6 meter viel binnen dit kader. De rechtbank verwierp het beroep van eiseres dat er sprake moest zijn van een bestaande bovenwoning en dat haar belang bij zonlicht meegewogen had moeten worden.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 16 oktober 2020.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/568
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2020 op het beroep in de zaak tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. R.M. Wiersma).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:
[vergunninghouder 1]en
[vergunninghouder 2], vergunninghouders.
(gemachtigde: W.M. Lamens)

Inleiding

1. Eiseres woont aan de [adres 1] in [woonplaats] . Vergunninghouders zijn de eigenaren van het naastgelegen perceel op [adres 2] . Op 30 december 2019 heeft verweerder vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het pand op hun perceel. De vergunning ziet onder meer op het vergroten van de achterzijde van het pand tot een hoogte van 6 meter. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Haar achtertuin grenst aan de achterzijde van het pand en zij vreest dat zij daar straks geen zonlicht meer heeft. Bij besluit van 30 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres echter ongegrond verklaard.
2. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 2 oktober 2020 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tot slot is vergunninghouder [vergunninghouder 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouders.

Beoordeling van de zaak

3. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’. In dat geval is artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het toepasselijke toetsingskader. Dit toetsingskader komt er, kort gezegd, op neer dat verweerder de omgevingsvergunning alleen toetst aan het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Deze vier toetsingsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dat houdt in dat verweerder de omgevingsvergunning móet weigeren als het bouwplan in strijd is met één of meer van deze toetsingsgronden en dat verweerder de omgevingsvergunning móet verlenen als géén sprake is van strijd met deze toetsingsgronden. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal verweerder aan een belangenafweging (waaronder de belangen van eiseres) dus niet kunnen toekomen.
4. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een bestaande bovenwoning in het pand. Ook heeft zij betoogd dat verweerder rekening had moeten houden met haar belang bij zonlicht in haar achtertuin. De rechtbank volgt eiseres niet in haar beroep. De omgevingsvergunning is niet in strijd gebleken met één van de genoemde toetsingsgronden, zodat verweerder de vergunning móest verlenen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Woning
5. Op grond van het bestemmingsplan ‘Overvecht - Noordelijke Standsrand’ de bestemming ‘Gemengd-6’ rust. Onder deze bestemming is wonen toegestaan. Voor het pand geldt een maximale bouwhoogte van 7 meter. De vergroting tot een hoogte van 6 meter, binnen het bouwvlak, past dus binnen de regels van het bestemmingsplan. Dat feitelijk al sprake moet zijn van een bestaande woning is geen vereiste. Verweerder heeft hierin terecht geen aanleiding gezien om de aanvraag te weigeren. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Zonlicht
6. Zoals gezegd, móet verweerder de gevraagde vergunning verlenen als die niet in strijd is met een van de genoemde toetsingsgronden. Het is verweerder dan niet toegestaan om de belangen van eiseres nog mee te wegen. De gedachte van de wetgever is hierbij geweest dat die belangafweging al heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan en de keuze die daarbij is gemaakt voor een maximale bouwhoogte van 7 meter. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de omgevingsvergunning terecht verleend. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.