Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[vergunninghouder 1]en
[vergunninghouder 2], vergunninghouders.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die aan vergunninghouders was verleend voor het vergroten van de achterzijde van hun pand tot een hoogte van 6 meter, omdat zij vreesde dat zij hierdoor geen zonlicht meer zou hebben in haar achtertuin. Het bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de omgevingsvergunning getoetst moest worden aan de limitatieve en imperatieve toetsingsgronden van artikel 2.10, eerste lid, Wabo, namelijk het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Omdat de vergunning niet in strijd was met deze toetsingsgronden, was verweerder verplicht de vergunning te verlenen en mocht geen belangenafweging worden gemaakt.
Het bestemmingsplan 'Overvecht - Noordelijke Stadsrand' staat een maximale bouwhoogte van 7 meter toe, en de uitbreiding tot 6 meter viel binnen dit kader. De rechtbank verwierp het beroep van eiseres dat er sprake moest zijn van een bestaande bovenwoning en dat haar belang bij zonlicht meegewogen had moeten worden.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 16 oktober 2020.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.