ECLI:NL:RBMNE:2020:4508

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 18/3542-E rectificatie
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rectificatie uitspraak bestuursrechtelijke zaak over motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 17 september 2020 een einduitspraak gedaan waarin het beroep ongegrond werd verklaard en geen proceskostenvergoeding werd toegekend. Dit ondanks dat in een eerdere tussenuitspraak van 14 maart 2019 een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit was vastgesteld.

Na een opmerking van de gemachtigde van eiser over het ontbreken van een proceskostenvergoeding heeft de rechtbank vastgesteld dat haar einduitspraak een kennelijke onjuistheid bevatte. De rechtbank erkent dat het beroep gegrond had moeten worden verklaard en dat een proceskostenvergoeding had moeten worden toegekend, ook al was het gebrek in het bestreden besluit na de tussenuitspraak hersteld.

De rechtbank heeft daarom haar uitspraak van 17 september 2020 gecorrigeerd door het beroep alsnog gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Tevens is verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.312,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €170.

De rectificatie is gedaan door rechter E.M. van der Linde en griffier M.S.D. de Weerd en is op 20 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken. De gerectificeerde uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de rechtsgevolgen blijven in stand en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3542-E
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2020 tot rectificatie van de uitspraak van 17 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van der Wel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. L.A. Sluiter).

Inleiding

1. Op 14 maart 2019 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBMNE:2019:1114). Bij die tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2. De rechtbank heeft in haar einduitspraak van 17 september 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:4335) geoordeeld dat gelet op de nadere toelichting verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen overtreding heeft kunnen vaststellen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat verweerder in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geen proceskostenvergoeding toegekend.
3. Bij brief van 22 september 2020 heeft gemachtigde van eiser opgemerkt dat de rechtbank bij de einduitspraak geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl bij de tussenuitspraak wel een gebrek was geconstateerd.

Overwegingen

4. De rechtbank heeft vastgesteld dat haar einduitspraak van 17 september 2020 een kennelijke onjuistheid bevat.
5. In rechtsoverweging 8. van de einduitspraak van 17 september 2020 heeft de rechtbank ten onrechte vermeld dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
6. In de tussenuitspraak had de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit geconstateerd. Alleen al om die reden had de rechtbank in de einduitspraak het beroep gegrond moeten verklaren en een proceskotenvergoeding moeten toekennen ook al vindt de rechtbank dat verweerder na de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld.
7. Nu de einduitspraak van 17 september 2020 een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare onjuistheid bevat, bestaat aanleiding de uitspraak op dit punt te rectificeren.
8. De rechtbank wijzigt de einduitspraak van 17 september 2020 vanaf rechtsoverweging 8. als volgt.
“(…)
8.
8. Gelet op het in de tussenuitspraak van 19 maart 2019 geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 1.312,50;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser vergoedt.”
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Beslissing

De rechtbank rectificeert haar uitspraak van 17 september 2020 als in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2020.
de griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: