In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 17 september 2020 een einduitspraak gedaan waarin het beroep ongegrond werd verklaard en geen proceskostenvergoeding werd toegekend. Dit ondanks dat in een eerdere tussenuitspraak van 14 maart 2019 een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit was vastgesteld.
Na een opmerking van de gemachtigde van eiser over het ontbreken van een proceskostenvergoeding heeft de rechtbank vastgesteld dat haar einduitspraak een kennelijke onjuistheid bevatte. De rechtbank erkent dat het beroep gegrond had moeten worden verklaard en dat een proceskostenvergoeding had moeten worden toegekend, ook al was het gebrek in het bestreden besluit na de tussenuitspraak hersteld.
De rechtbank heeft daarom haar uitspraak van 17 september 2020 gecorrigeerd door het beroep alsnog gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Tevens is verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.312,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €170.
De rectificatie is gedaan door rechter E.M. van der Linde en griffier M.S.D. de Weerd en is op 20 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken. De gerectificeerde uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl.