ECLI:NL:RBMNE:2020:4529
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en gelijkheidsbeginsel bij woning in Utrecht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Utrecht, die door verweerder is vastgesteld op €306.000,- voor het belastingjaar 2019. Verweerder handhaaft deze waarde en heeft een taxatiematrix overgelegd waarin de woning is vergeleken met zes referentiewoningen.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de marktwaarde weerspiegelt en dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix toont aan dat er voldoende rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en de referentiewoningen, zoals gebruiksoppervlakte en perceelgrootte.
Eiser voert aan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat een andere woning vergelijkbaar is en een lagere WOZ-waarde heeft gekregen. De rechtbank oordeelt dat de systematiek van de Wet WOZ gebaseerd is op marktgegevens van vergelijkbare woningen en dat een vergelijking met een enkele woning niet passend is. Ook de door eiser genoemde andere vergelijkingsobjecten zijn volgens de rechtbank niet adequaat geselecteerd.
Gelet op de toelichting en onderbouwing van verweerder acht de rechtbank de vastgestelde WOZ-waarde juist en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €306.000,- wordt bevestigd.