Eiser heeft beroep ingesteld tegen het verzuim van verweerder om hem een juiste proceskostenvergoeding toe te kennen bij de uitspraak op bezwaar van 17 december 2019. Verweerder heeft later het juiste bedrag toegekend, waarna eiser het beroep voortzette met een verzoek tot vergoeding van proceskosten in beroep.
De rechtbank stelt vast dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het geschil over de proceskostenvergoeding feitelijk is opgelost door de toekenning van het juiste bedrag door verweerder. Wel komt eiser in aanmerking voor vergoeding van proceskosten in beroep.
De kern van het geschil betreft de toepasselijke wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding. Eiser pleitte voor 0,5, verweerder voor 0,25. De rechtbank volgt verweerder omdat het beroep weinig complex was en de werklast beperkt.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €65,25 aan proceskosten, gebaseerd op 1 punt à €261 met wegingsfactor 0,25, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €48 aan eiser.
De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en kan binnen zes weken worden bestreden bij het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden.