De Tennisvereniging verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar parkbeheerder op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Zij stelde dat de werknemer zich schofferend en intimiderend gedroeg, wat leidde tot onveilige gevoelens bij bestuursleden en escalaties bij functioneringsgesprekken. De werknemer had zich meerdere malen ziekgemeld en er waren mediationpogingen geweest zonder resultaat.
De kantonrechter oordeelde dat weliswaar sprake was van een verstoring, maar deze niet ernstig of duurzaam genoeg was om ontbinding te rechtvaardigen. Er was onvoldoende bewijs dat bestuursleden daadwerkelijk bang waren, en de Tennisvereniging had onvoldoende inspanningen verricht om de relatie te herstellen. Ook was het werk van de werknemer niet zodanig dat intensief contact met het bestuur noodzakelijk was.
Het tegenverzoek van de werknemer betrof de betaling van een bruto eindejaarsuitkering over drie jaren, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. De kantonrechter vond dat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat de cao bepalingen over eindejaarsuitkering deel uitmaakten van de arbeidsovereenkomst en wees het tegenverzoek af.
De Tennisvereniging werd veroordeeld in de proceskosten van de werknemer, terwijl de werknemer in de proceskosten van de Tennisvereniging werd vrijgesteld. De beschikking werd uitgesproken door kantonrechter Langeler op 28 oktober 2020.