ECLI:NL:RBMNE:2020:4674
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling dagloon WW-uitkering bij medische en gezinsomstandigheden
Eiser was sinds november 2008 werkzaam bij een bedrijf en nam op 1 oktober 2017 ontslag. Daarna volgde een sabbatical en mantelzorg voor zijn vader. Vanaf november 2018 werkte hij in de horeca en tijdelijk bij zijn oud-werkgever. Op 21 november 2019 kreeg eiser de diagnose Parkinson en vroeg hij op 25 november 2019 een WW-uitkering aan. Verweerder stelde het dagloon vast op € 69,65 op basis van de polisadministratie over de referteperiode 4 november 2018 tot 3 november 2019.
Eiser betoogde dat het dagloon gebaseerd moest worden op de periode tot oktober 2017 vanwege zijn goede arbeidsverleden en de langdurige ontwikkeling van zijn ziekte. De rechtbank stelde vast dat verweerder de dagloonbepaling correct toepaste volgens het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, waarbij het dagloon wordt berekend op basis van het inkomen in de referteperiode. Er is geen beleidsvrijheid of hardheidsclausule om hiervan af te wijken.
De uitzonderingen in artikel 6 van Pro het Dagloonbesluit, die correcties mogelijk maken bij verlof, ziekte of werkstaking, waren niet van toepassing omdat eiser in de referteperiode gewoon werkte en geen minder loon ontving. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het dagloon terecht is vastgesteld op € 69,65.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon van € 69,65 wordt bevestigd.