ECLI:NL:RBMNE:2020:4680

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 20/3223
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen verdagingsbeslissing Wmo-vergoeding niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor een vergoeding voor woningaanpassing. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening verzocht, welke eerder werd afgewezen.

Vervolgens werd de beslistermijn voor het bezwaar met zes weken verdagen. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter vroeg om nadere uitleg en ontving een reactie waarin verzoeker stelde dat hij zijn nieuwe woning nog niet kon betrekken vanwege de weigering van verweerder om mee te werken aan de woningaanpassing.

De voorzieningenrechter oordeelde dat tegen het verdagingsbesluit geen rechtsmiddel openstaat, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie die verzoeker rechtstreeks in zijn belang treft. Een dergelijke uitzonderingssituatie werd niet vastgesteld. Er was geen acute voorziening vereist en geen onomkeerbare situatie. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het verdagingsbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3223

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) in de vorm van een vergoeding voor het aanpassen van de woning aan [adres] in [woonplaats] afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 3 juli 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen (UTR 20/1987).
Verweerder heeft vervolgens in zijn besluit van 11 september 2020 aan verzoeker medegedeeld dat de termijn om te beslissen op het bezwaar van verzoeker op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met zes weken wordt verdaagd.
Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft op 13 september 2020 bij verweerder bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 9 september 2020 gevraagd om een nadere uitleg. Verzoeker heeft bij brief van 10 oktober 2020 hierop gereageerd.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat tegen het besluit van 11 september 2020 tot verdaging van de beslistermijn namelijk geen rechtsmiddel (zoals een verzoek om voorlopige voorziening) open. Dat volgt uit artikel 6:3 van Pro de Awb. In dat artikel is bepaald dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.
Dat sprake is van die uitzonderingssituatie, en het verdagingsbesluit verzoeker rechtstreeks in zijn belang treft, ziet de voorzieningenrechter niet in. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 9 oktober 2020 gevraagd om uit te leggen waarom van zo’n uitzonderingssituatie sprake zou zijn. Verzoeker heeft hierop in zijn brief van 10 oktober 2020 vermeld dat verzoeker zijn nieuwe woning nog niet kan betrekken omdat verweerder (naar zijn zeggen) weigert mee te werken aan aanpassing van de woning. Verzoeker verblijft in afwachting daarvan bij zijn ouders. Gelet op deze uitleg van verzoeker, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Dat door het verdagen van de beslistermijn een onomkeerbare situatie ontstaat en een acute voorziening vereist is, ziet de voorzieningenrechter niet. Een andere reden om spoedeisend belang aan te nemen, is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.
Nu geen sprake is van een uitzonderingssituatie, geldt de algemene regel uit artikel 6:3 van Pro de Awb dat tegen een verdagingsbeslissing geen rechtsmiddel open staat. De voorzieningenrechter kan het verzoek om voorlopige voorziening dan ook niet inhoudelijk in behandeling nemen en verklaart het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 oktober 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.