ECLI:NL:RBMNE:2020:4741

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 november 2020
Publicatiedatum
3 november 2020
Zaaknummer
C/16/508735 / HA ZA 20-574
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019cc lid 1 RvArt. 1019cc lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tussentijds hoger beroep tegen beschikking aansprakelijkheid val op rubberen mat

Op 29 april 2018 is eiseres gevallen nadat zij op een rubberen mat stapte die door regen spekglad was geworden. Deze mat was geplaatst door gedaagde sub 1 in het kader van kabelwerkzaamheden voor een kermis. Eiseres vorderde in een deelgeschilprocedure dat de rechtbank zou bepalen dat gedaagde sub 1 en haar verzekeraar hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van haar val.

De rechtbank oordeelde op 10 juni 2020 dat gedaagde sub 1 niet aansprakelijk is en dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Deze beslissing betrof de materiële rechtsverhouding en was definitief in de zin van artikel 1019cc lid 1 Rv. Eiseres verzocht vervolgens om verlof voor tussentijds hoger beroep tegen deze beschikking.

De rechtbank constateerde dat er geen nieuwe feiten of juridische misslagen waren die een terugkomen op de beschikking rechtvaardigen, maar gaf om proceseconomische redenen toestemming voor tussentijds hoger beroep. De zaak wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.

Uitkomst: Rechtbank verleent toestemming voor tussentijds hoger beroep en houdt de zaak aan in afwachting van hoger beroep.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/508735 / HA ZA 20-574
Vonnis van 4 november 2020
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. F.J. Straathof te 's-Hertogenbosch,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de naamloze vennootschap
NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ,
gevestigd te Den Haag,
gedaagden,
advocaat mr. A.K. Sjouw te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
[eiseres] heeft een vordering ingesteld tegen [gedaagde sub 1] met een dagvaarding. In de dagvaarding heeft zij de rechtbank verzocht verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van 10 juni 2020 van deze rechtbank in de deelgeschilprocedure met rekestnummer C/16/497218 / HA RK 20-34 (hierna: het deelgeschil). [gedaagde sub 1] heeft aangegeven dat zij zich voor dit verzoek refereert aan het oordeel van de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat vonnis wordt gewezen

2.De overwegingen

2.1.
[eiseres] is op 29 april 2018 gevallen. Op die dag had [gedaagde sub 1] kabels gelegd voor de elektriciteitsvoorziening van de plaatselijke kermis en deze kabels afgedekt met een rubberen mat. Volgens [eiseres] is zij gevallen toen ze op de mat stapte, die spekglad was geworden door de regen. In het deelgeschil heeft [eiseres] de rechtbank verzocht om te bepalen dat [gedaagde sub 1] en haar aansprakelijkheidsverzekeraar Nationale Nederlanden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van haar val, omdat door het gebruik van een ondeugdelijke mat een gevaarlijke situatie was ontstaan.
2.2.
De rechtbank heeft in de beschikking van 10 juni 2020 geoordeeld dat [gedaagde sub 1] niet aansprakelijk is voor de val van [eiseres] , maar dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Met dit oordeel heeft de rechtbank een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv. Deze beslissing is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven in de zin van laatstgenoemd artikel. Tegen deze beslissing kan daarom op grond van artikel 1019cc lid 3 Rv onder a, na toestemming van de rechter in de bodemprocedure, hoger beroep worden ingesteld als van een tussenvonnis.
2.3.
In de dagvaarding heeft [eiseres] uiteengezet om welke reden de beslissing in de beschikking onjuist is. Nu niet is gesteld of gebleken dat - kort gezegd - sprake is van nieuwe feiten of een juridische misslag op grond waarvan de (bodem)rechter terug zou kunnen komen van de in het deelgeschil gegeven beslissing, is de (bodem)rechter gebonden aan die beslissing. De mogelijkheid bestaat dat het gerechtshof over dit geschil een andere beslissing neemt. De rechtbank ziet hierin en om redenen van proceseconomische aard aanleiding tussentijds hoger beroep toe te staan van de beschikking.
2.4.
De zaak zal worden aangehouden in afwachting van de procedure in hoger beroep.

3.De beslissing

De rechtbank,
3.1.
staat hoger beroep toe van de op 10 juni 2020 gegeven beschikking met rekestnummer C/16/497218 / HA RK 20-34 in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure,
3.2.
bepaalt dat de zaak in afwachting van de procedure in hoger beroep zal worden aangehouden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.
type: SM/4183
coll: