ECLI:NL:RBMNE:2020:4853
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde hoekwoning en afwijzing beroep tegen vaststelling
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiseres de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van haar hoekwoning voor het belastingjaar 2019, vastgesteld op €532.000,-. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met vier referentiewoningen, rekening houdend met verschillen in perceeloppervlakte en bouwkundige kenmerken.
Eiseres stelt een lagere waarde van €498.000,- voor en verwijst primair naar de verkoop van het naburige pand als vergelijkingsobject. De rechtbank oordeelt dat verweerder vrij is in de keuze van vergelijkingsobjecten en dat de taxatiematrix voldoende inzicht geeft in de waardebepaling. De verschillen tussen de woning en referentieobjecten, zoals extra perceeloppervlakte en dakkapellen, rechtvaardigen de vastgestelde waarde.
Verder voert eiseres aan dat een deel van het perceel als brandgang dient te worden aangemerkt en daarom buiten de waardering moet blijven. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat vrijwel alle woningen in de wijk een brandgang hebben en dat hiervoor geen extra aftrek wordt toegepast. Gelet op de onderbouwing en de gehanteerde methode concludeert de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €532.000,- wordt ongegrond verklaard.