ECLI:NL:RBMNE:2020:4901

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
11 november 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 319
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken concrete beroepsgronden bij aanvraag bijzondere bijstand

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad waarin zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor proceskosten werd afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank heeft eiser meerdere malen verzocht om concrete beroepsgronden te verstrekken, zoals vereist op grond van artikel 6:5 Awb Pro. Eiser heeft echter alleen verwezen naar de eerder ingediende bezwaarschriften en geen nieuwe of specifieke gronden aangevoerd. Ook tijdens de zitting heeft eiser bevestigd dat zijn beroepsgronden gelijk zijn aan die in bezwaar en niets aan te vullen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom het bezwaar ongegrond is verklaard. Door het ontbreken van concrete beroepsgronden kan het beroep niet slagen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van verweerder.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van concrete beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder
(gemachtigde: M. de Roode).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor proceskosten afgewezen.
Bij besluit van 11 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2020. Eiser is verschenen via een Skype geluidverbinding. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser bij brieven van 22 januari 2020, 27 januari 2020, 27 februari 2020, 18 mei 2020 en 10 juli 2020 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen.
3. Eiser heeft binnen die termijn geen gronden ingediend.
4. De rechtbank heeft vervolgens eiser op 14 oktober 2020 nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gronden van beroep uiterlijk binnen één week in te dienen. Eiser heeft op diezelfde dag medegedeeld te blijven bij zijn bezwaarschrift van 1 oktober 2019 en dat hij daar niets aan toe te voegen heeft. Op 20 oktober 2020 heeft eiser medegedeeld dat zijn gronden van beroep zijn gericht tegen het besteden besluit .
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen concrete gronden heeft ingediend tegen het bestreden besluit, maar enkel heeft verwezen naar de gronden in bezwaar. Ook ter zitting heeft hij bevestigd dat zijn gronden van beroep gelijk zijn aan zijn gronden van bezwaar en dat hij hieraan niets heeft toe te voegen.
6. De rechtbank oordeelt dat verweerder daar in het bestreden besluit al voldoende op is ingegaan. Verweerder heeft de gronden van bezwaar voldoende gemotiveerd weerlegd. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep niet heeft medegedeeld waarom de overwegingen van verweerder in reactie op zijn bezwaargronden niet in stand kunnen blijven, zodat reeds hierom de herhaalde standpunten niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.
7. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.