Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak d.d. 30 oktober 2020
[eiser] te [woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Feiten
Geschil en standpunten van partijen
Beoordeling van het geschil
€ 337.000 heeft aangevoerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
€ 4.000 moet worden toegepast omdat verweerder de waarde welbewust te hoog zou hebben vastgesteld hetgeen volgens gemachtigde als knevelarij dient te worden aangemerkt. Gemachtigde heeft van deze aantijging niet het begin van bewijs geleverd. De rechtbank gaat er daarom aan voorbij.
UTR 19/3573, UTR 19/3576 en UTR 19/3564 heeft gemachtigde dat niet gedaan. Bij de behandeling van de zaak UTR 19/3580 heeft de rechtbank beslist dat zij de vorenbedoelde vragen, vorderingen, standpunten en omstandigheden buiten beschouwing laat omdat, zoals blijkt uit de verklaring van de gemachtigde ter zitting, er geen verband is tussen de (uiteindelijke) beroepsgronden van gemachtigde en de door hem gestelde vragen, gevorderde inlichtingen en bescheiden, ingenomen standpunten en genoemde omstandigheden. In de onderhavige zaak is niets aangevoerd dat de rechtbank tot een andere beslissing op dit punt zou kunnen brengen.
€ 783,00 (per zaak wordt dan voor de bezwaarfase vergoed € 130,50”
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
S.J. van Ravenhorst. De beslissing is op 30 oktober 2020in het openbaar uitgesproken.