De heer A verzocht de rechtbank om een dwangakkoord vast te stellen teneinde mevrouw B te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. De schuldregeling voorzag in een betaling van 35,66% aan de preferente schuldeiser en 17,83% aan de concurrente schuldeisers, waarbij alleen mevrouw B niet instemde vanwege een geschil over de hoogte van haar vordering.
Mevrouw B stelde dat haar vordering aanzienlijk hoger was dan het bedrag dat in het akkoord was opgenomen, omdat naast de erkende huurachterstand ook kosten voor herstel van de woonboerderij en misgelopen huurinkomsten meespelen. Schuldhulpverlening had alleen de erkende huurachterstand van €16.300,- opgenomen, terwijl mevrouw B een totaalvordering van €58.468,50 claimde.
De rechtbank oordeelde dat de omvang van de vordering van mevrouw B onvoldoende duidelijk was en dat het aanbod onvoldoende transparant was over de wijze van finale kwijting. Hierdoor kon niet worden vastgesteld welk aandeel haar vordering in de totale schuldenlast vertegenwoordigt, wat essentieel is voor de belangenafweging.
Daarom kon niet worden vastgesteld dat mevrouw B onredelijk handelde door het akkoord te weigeren. Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord werd afgewezen. De behandeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsanering zal op een later moment plaatsvinden.