Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2020:5133

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2020
Publicatiedatum
24 november 2020
Zaaknummer
C/16/505696 / FT RK 20/826
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 3:277 BWArt. 299a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord ondanks weigering schuldeiser ABN Amro Bank

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van een natuurlijke persoon tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. De verzoeker had drie schuldeisers, waaronder ABN Amro Bank met een vordering van ruim €17.000 en DUO met een studieschuld van circa €32.000. ABN Amro Bank weigerde in te stemmen met de aangeboden schuldregeling, die voorzag in betaling van 96,01% van haar vordering binnen drie jaar.

De rechtbank overwoog dat ABN Amro Bank in redelijkheid niet tot weigering had kunnen komen, maar dat haar belang bij het verkrijgen van meer rente niet opwoog tegen het belang van de verzoeker om een einde te maken aan zijn uitzichtloze schuldsituatie. De studieschuld van DUO viel buiten de schuldregeling, maar dit benadeelde de andere schuldeisers niet, aangezien DUO haar incasso opschortte gedurende de regeling.

De verzoeker had een wankele psychische gezondheid en was al 11 jaar bezig met aflossen zonder vermindering van de hoofdsom. De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging uitviel in het voordeel van de verzoeker en wees het dwangakkoord toe. ABN Amro Bank werd niet in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt toegewezen en ABN Amro Bank wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Toezicht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/505696 / FT RK 20/826
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord) van 26 november 2020
in de zaak van
de heer
[verzoeker],
geboren [1979] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] aan de [adres] ,
verzoeker,
hierna: [verzoeker] ,
tegen
de naamloze vennootschap
ABN AMRO Bank n.v.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
hierna: ABN Amro Bank.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
- het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling,
- het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw,
- het verweer van ABN Amro Bank van 10 november 2020.
1.2.
Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld op 12 november 2020 via een videoverbinding. Hierbij zijn gehoord [verzoeker] , voornoemd, en mevrouw [A] , consulent schulddienstverlening RSD. ABN Amro Bank is niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] heeft drie schuldeisers. De Belastingdienst heeft een concurrente vordering van € 1.378,00, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft een vordering van ongeveer € 32.000,00 en ABN Amro Bank heeft een vordering van € 17.419,16.
2.2.
De schuld aan ABN Amro Bank volgt uit een lening die [verzoeker] in 2006 is aangegaan. [verzoeker] heeft van ABN Amro Bank toen een bedrag van € 17.500,00 geleend. Nadat de onderneming van [verzoeker] in 2009 in financiële problemen kwam en werd gestaakt, is [verzoeker] begonnen met het aflossen van zijn schulden. [verzoeker] heeft inmiddels ruim € 19.000,00 aan ABN Amro Bank betaald en heeft daarnaast enkele kleinere schulden afgelost. De betalingen aan ABN Amro Bank bestaan per saldo uit de verschenen rente.
2.3.
[verzoeker] heeft op 9 april 2020 een schuldregeling aangeboden aan ABN Amro Bank en de Belastingdienst. Dit aanbod houdt -samengevat- het volgende in: [verzoeker] zal gedurende een periode van drie jaar zijn volledige inkomen, behoudens een vrij te laten bedrag, sparen voor de schuldeisers. Bij gelijkblijvende omstandigheden kan [verzoeker] binnen deze periode de vorderingen van de Belastingdienst en ABN Amro Bank voor een gedeelte van 96,01% voldoen tegen finale kwijting.
2.4.
Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoeker] op dit moment een inkomen heeft van € 2.314,27 per maand. Hij is in staat hiervan de komende drie jaar, na aftrek van kosten voor schuldbemiddeling, een bedrag van € 18.178,89 te sparen.
2.5.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve ABN Amro Bank aanvaard.

3.De beoordeling

3.1.
Het verzoek zal kunnen worden toegewezen als ABN Amro Bank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat ABN Amro Bank heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Voor de toewijzing van het verzoek is de toewijsbaarheid van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp) niet een noodzakelijke voorwaarde. De wet stelt in artikel 287a Fw ook niet de eis dat [verzoeker] aannemelijk moet maken dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.
De belangen van ABN Amro Bank
3.2.
Het uitgangspunt is dat ABN Amro Bank aanspraak kan maken op betaling van haar volledige vordering en daarvoor het volledige vermogen van [verzoeker] kan aanspreken. Is dat vermogen niet toereikend, dan geldt op grond van artikel 3:277 BW Pro dat schuldeisers onderling een gelijk recht hebben om uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
3.3.
In reactie op de aangeboden schuldregeling, heeft ABN Amro Bank voorgesteld de lening te laten voortduren. De ABN Amro Bank heeft op basis van de spaarcapaciteit van [verzoeker] berekend dat hij in 14 jaar in staat is alle aflossingen en renteverplichtingen te voldoen, hetgeen neerkomt op betaling van € 25.292,40. ABN Amro Bank geeft de voorkeur aan deze betalingsregeling, boven de schuldregeling waarbij zij in drie jaar 96,01% van de thans openstaande vordering ontvangt. Het belang van ABN Amro Bank is daarmee hoofdzakelijk gelegen in het ontvangen van meer rente.
3.4.
Aanvaarding van de schuldregeling zal tot gevolg hebben dat de schuldeisers een betaling van € 18.178,89 tegemoet kunnen zien. Indien op [verzoeker] de Wsnp van toepassing wordt verklaard, komt voor de schuldeisers een bedrag van € 16.045,80 beschikbaar in verband met de hogere kosten die aan een Wsnp verbonden zijn. De schuldregeling gaat weliswaar uit van een prognose van het inkomen van [verzoeker] . Hoewel [verzoeker] een tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft, is voldoende aannemelijk dat sprake is van een reële prognose. Op basis van het arbeidsverleden van [verzoeker] is aannemelijk dat hij in staat is zijn inkomen op het huidige niveau te houden.
De belangen van de overige schuldeisers
3.5.
[verzoeker] heeft niet aan al zijn schuldeisers een schuldregeling aangeboden. De schuldregeling werd niet aan DUO aangeboden. DUO zal de incasso van haar vordering opschorten gedurende de looptijd van de schuldregeling. Zij kan na afloop van de schuldregeling haar vordering volledig op [verzoeker] proberen te verhalen. Dit betekent dat DUO anders wordt behandeld dan de Belastingdienst en ABN Amro Bank. Het is overigens niet waarschijnlijk dat DUO wordt bevoordeeld, gelet op het aanzienlijke percentage dat onder de schuldregeling wordt aangeboden enerzijds en anderzijds het geven dan DUO veel later betaling zal ontvangen.
3.6.
Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 3:277 BW Pro dat [verzoeker] bij de aanbieding van een schuldregeling zijn schuldeisers in beginsel gelijk moet behandelen. De wetgever heeft echter in artikel 299a Fw bepaald dat een Wsnp niet werkt ten aanzien van vordering uit hoofde van studieschulden, zoals de onderhavige schuld aan DUO. Dit betekent dat DUO steeds in redelijkheid een aangeboden schuldregeling kan weigeren. [verzoeker] heeft, door DUO buiten de schuldregeling te laten, zijn andere schuldeisers niet op een ongeoorloofde wijze heeft benadeeld.
3.7.
Het belang van ABN Amro Bank bij weigering van de schuldregeling, weegt zwaarder dan het belang van de Belastingdienst, die wel met de schuldregeling heeft ingestemd. ABN Amro Bank vertegenwoordigt het overgrote deel van de schuldenlast van [verzoeker] . Dit betekent dat het belang van ABN Amro Bank moet worden afgewogen tegen uitsluitend het belang van [verzoeker] .
De belangen van [verzoeker]
3.8.
De Wsnp én de gedwongen schuldregeling hebben onder meer tot doel tegen te gaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Deze doelstelling rechtvaardigt een uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunten dat schuldeisers volledige betaling kunnen verlangen.
3.9.
[verzoeker] heeft aannemelijk gemaakt dat hij een wankele psychische gezondheid heeft (psychoses). Spanningen door de schuldensituatie hebben een belangrijke invloed op de gezondheid van [verzoeker] . Daar komt bij dat DUO op dit moment weliswaar de incasso van haar vordering heeft opgeschort, maar op termijn betaling zal gaan eisen. Hierdoor zal [verzoeker] verder in de financiële problemen komen. [verzoeker] is al 11 jaar aan het afbetalen op zijn schulden, zonder dat hoofdsom van de schuld aan ABN Amro Bank minder is geworden. Het belang van [verzoeker] is om een einde te maken aan deze uitzichtloze situatie. Het aanbod van ABN Amro Bank om een betalingsregeling met een looptijd van nog eens 14 jaar te treffen, komt onvoldoende tegemoet aan het belang van [verzoeker] . Daarbij is mede van belang dat de oorspronkelijke lening voor een korte looptijd werd afgesloten. De omstandigheden waaronder de lening is aangegaan, zijn bovendien ingrijpend gewijzigd. Op het moment dat [verzoeker] de lening aanging, had hij nog een onderneming en was hij gezond.
Conclusie
3.10.
Al het voorgaande overziende, valt de belangenafweging uit in het voordeel van [verzoeker] . Het verzoek zal dus worden toegewezen. Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.
3.11.
Er bestaat geen aanleiding ABN Amro Bank in de proceskosten te veroordelen.

4.De beslissing

De rechtbank:
beveelt ABN Amro Bank in te stemmen met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2020. [1]