Verzoekster was op basis van diverse arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werkzaam bij verweerster van 1 juli 2017 tot en met 1 januari 2020. Zij werd op 26 oktober 2019 door haar werkgever beschuldigd van fraude met urenregistratie en naar huis gestuurd. Verzoekster verzocht de kantonrechter om beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 2 januari 2020, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst op die datum van rechtswege eindigde.
Daarnaast vorderde verzoekster betaling van een transitievergoeding, maar deze vordering werd afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien verweerster de verschuldigdheid al erkend had. Ook de vordering tot uitbetaling van vakantie- en overuren werd afgewezen, omdat verweerster reeds had toegezegd deze te zullen uitbetalen zodra de benodigde gegevens beschikbaar waren.
Verzoekster vroeg tevens om zuivering van haar eer en goede naam vanwege de fraude-beschuldiging, maar de kantonrechter oordeelde dat dit verzoek jegens verweerster niet toewijsbaar was, omdat verweerster haar niet zelf had beschuldigd. Het verzoek tot compensatie voor emotioneel leed en juridische kosten werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat verzoekster op alle punten in het ongelijk werd gesteld.