ECLI:NL:RBMNE:2020:5265

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 november 2020
Publicatiedatum
4 december 2020
Zaaknummer
UTR - 20 _ 2547
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1, derde lid, AwirArt. 3, eerste lid, AwirArt. 5a, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen toerekening toeslagpartnerschap bij zorgtoeslag 2020

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst om haar voor 2020 een voorschot zorgtoeslag toe te kennen waarbij haar echtgenoot als toeslagpartner is meegeteld. Eiseres woont sinds 2016 gescheiden van haar echtgenoot, die in Nederland woont, terwijl zij in Frankrijk verblijft. Zij stelt dat zij en haar echtgenoot als alleenstaanden moeten worden beschouwd en verwijst naar een eerdere uitspraak waarin zij als duurzaam gescheiden werd aangemerkt voor AOW-doeleinden.

De rechtbank stelt vast dat het toetsingskader voor zorgtoeslag verschilt van dat voor AOW-pensioen. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat echtgenoten als toeslagpartners worden aangemerkt tenzij er een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend en zij niet op hetzelfde adres staan ingeschreven. Omdat eiseres en haar echtgenoot weliswaar gescheiden wonen, maar geen verzoek tot echtscheiding is ingediend, is de echtgenoot terecht als toeslagpartner aangemerkt.

De rechtbank oordeelt dat de wet dwingendrechtelijk is en geen ruimte laat voor afwijking in deze situatie. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit zorgtoeslag 2020 wordt ongegrond verklaard omdat eiseres en haar echtgenoot als toeslagpartners moeten worden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2547
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een voorschot zorgtoeslag voor 2020 verleend van € 2.243,-. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 2 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2020. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft via Skype deelgenomen en zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiseres is per [1983] met de heer [echtgenoot] (echtgenoot) gehuwd. Sinds 6 oktober 2016 staan zij niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Eiseres woont in Frankrijk en haar echtgenoot in Nederland.
3. Eiseres voert aan dat verweerder bij de voorschotverlening van de zorgtoeslag voor het jaar 2020 onterecht is uitgegaan van de omstandigheid dat zij en haar echtgenoot toeslagpartners zijn. Volgens eiseres moeten zij en haar echtgenoot als alleenstaanden worden beschouwd. Zij verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag. [1] In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres als ongehuwd moet worden aangemerkt, omdat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Aan eiseres en haar echtgenoot wordt daarom een ongehuwdenpensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.
4. In geschil is of verweerder bij de voorschotverlening van de zorgtoeslag van eiseres voor het jaar 2020 terecht rekening heeft gehouden met de echtgenoot van eiseres als toeslagpartner.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat voor de berekening van de zorgtoeslag een ander wettelijk toetsingskader geldt dan voor de berekening van het pensioen op grond van de AOW. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is van toepassing op de zorgtoeslag. [2] Uit de Awir volgt dat een echtgenoot als toeslagpartner wordt aangemerkt, tenzij een verzoek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en de echtgenoot niet meer op hetzelfde adres is ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als belastingplichtige. [3]
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de echtgenoot van eiseres bij de berekening van het recht op zorgtoeslag voor het jaar 2020 terecht als toeslagpartner heeft aangemerkt. Eiseres en haar echtgenoot zijn gehuwd en er is geen verzoek tot echtscheiding of een verzoek tot scheiding van tafel en bed ingediend. Daarmee wordt niet voldaan aan de uitzondering die in de Awir wordt gemaakt op het uitgangspunt dat echtgenoten elkaars toeslagpartner zijn. De wet is op dit punt dwingendrechtelijk van aard. Dit betekent dat verweerder geen ruimte heeft om in de situatie van eiseres af te wijken van de wettelijke bepaling.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2020 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
De griffier is verhinder om deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3075.
2.Dit volgt uit artikel 1, derde lid, van de Awir
3.Dit volgt uit artikel 3, eerste lid, van de Awir, met een verwijzing naar artikel 5a, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.