ECLI:NL:RBMNE:2020:5274

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
4 december 2020
Zaaknummer
UTR 20/2402
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het parkeerbeleid van VvE en toekenning tweede parkeervergunning

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning voor haar woning in een appartementencomplex met een gezamenlijke parkeervoorziening op eigen terrein. Volgens het gemeentelijk beleid komt het adres van eiseres, opgenomen op de Adressenlijst uitsluiting parkeervergunningen, alleen in aanmerking voor een tweede parkeervergunning.

Eiseres betwist dit omdat zij geen beschikking heeft over een parkeerplaats binnen het complex en daardoor twee keer zoveel moet betalen voor haar parkeervergunning. Zij heeft ter onderbouwing documenten van de Vereniging van Eigenaren en een splitsingsakte overgelegd.

De gemeente stelt dat het parkeerbeleid gericht is op het voorkomen dat extra parkeerbehoefte door nieuwbouw wordt afgewenteld op de openbare ruimte. Het beleid vereist dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, maar dit betekent niet dat elk huishouden een eigen parkeerplaats krijgt.

De rechtbank oordeelt dat het beleid niet onredelijk is en dat het college in redelijkheid een tweede parkeervergunning heeft verleend. De omstandigheden van eiseres, waaronder het ontbreken van een eigen parkeerplaats en de hogere kosten, vormen geen bijzondere reden om van het beleid af te wijken. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot toekenning van slechts een tweede parkeervergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2402

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: M. Akkersdijk).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een tweede bewonersvergunning verleend voor haar auto met kenteken [kenteken] .
Bij besluit van 5 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for Business plaatsgevonden op
24 november 2020. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 13 februari 2020 een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning. Eiseres woont op het adres [adres] (het adres) in [plaats] . Dit adres kan beschikken over een parkeervoorziening voor een voertuig. Er is namelijk een gezamenlijke parkeervoorziening gerealiseerd op het eigen terrein, onder het appartementencomplex. Het adres waar eiseres woont is daarom opgenomen in de Adressenlijst uitsluiting parkeervergunningen (Adressenlijst) onder zone B1, waardoor het adres is uitgesloten van het ontvangen van een eerste parkeervergunning. Verweerder heeft conform deze beleidsregel aan eiseres een zogenoemde tweede parkeervergunning verleend.
2. Eiseres is het er niet mee eens dat zij een zogenoemde tweede parkeervergunning heeft gekregen. Eiseres heeft geen beschikking over een parkeerplaats onder het appartementencomplex, zij heeft daar ook nooit beschikking over gehad en zij komt ook niet in de gelegenheid om een parkeerplaats aan te schaffen. Het streven om het autogebruik in [plaats] terug te dringen in verband met het milieu is in dit verband volgens eiseres niet relevant. Eiseres moet twee keer zoveel betalen voor haar parkeerplaats als anderen in dezelfde straat. Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres een e-mailbericht van de Vereniging van eigenaren [naam] en een akte tot splitsing in appartementsrechten overgelegd.
3. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat het uitgangspunt voor de Beleidsregel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen 2019 gemeente Utrecht (Beleidsregel) is dat de extra parkeerbehoefte die ontstaat door een bouwontwikkeling niet mag worden afgewenteld op de openbare ruimte en de wijk. Bij de bouw van een appartementencomplex wordt alleen een omgevingsvergunning afgegeven als er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen is afhankelijk van de parkeernorm die geldt in een bepaalde zone/rayon. Dit betekent dat er niet per definitie voor alle huishoudens in het complex een parkeerplaats moet zijn gerealiseerd. Het kan ook betekenen dat sommige huishoudens buiten de boot vallen omdat zij niet de beschikking hebben over een parkeerplaats en ook niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning omdat hun adres is uitgesloten van uitgifte van een parkeervergunning.
4. De rechtbank acht de Beleidsregel die verweerder heeft gehanteerd in de situatie van eiseres niet onredelijk. Verweerder heeft op basis van de Beleidsregel in redelijkheid eiseres een tweede parkeervergunning verleend, en niet een eerste parkeervergunning. Op basis van artikel zes, vierde lid van de Beleidsregel en de daarop gebaseerde Adressenlijst, zoals van kracht ten tijde van het bestreden besluit, verleent verweerder voor een adres waarbij een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd, alleen een tweede parkeervergunning voor een adres dat valt onder zone B1. Niet in geschil is dat het adres op de Adressenlijst staat vermeld. Het gevolg daarvan is dat eiseres niet in aanmerking komt voor een eerste parkeervergunning. De omstandigheid dat eiseres niet beschikt over een parkeerplaats op het eigen terrein en daarvoor ook niet in aanmerking komt, is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan verweerder had moeten afzien van het toepassen van zijn beleid. Ook de omstandigheid dat het voor eiseres tot gevolg heeft dat zij twee keer zoveel moet betalen voor haar parkeervergunning als anderen in dezelfde straat, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het toepassen van zijn beleid. Daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat andere bewoners in haar appartementencomplex wel een eerste parkeervergunning hebben gekregen.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.