Eiseres maakte bezwaar tegen de definitieve berekening van haar kinderopvangtoeslag over 2018, waarbij de Belastingdienst een ander kind als 'eerste kind' had aangemerkt op basis van het aantal opvanguren per maand. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst de wettelijke regels uit het Besluit kinderopvangtoeslag correct had toegepast en dat de berekeningen en vergoedingspercentages juist waren.
Eiseres voerde aan dat zij niet vooraf was geïnformeerd over de mogelijkheid van een wisseling van het 'eerste kind', wat volgens haar in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank verwierp dit standpunt, stellende dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om de wettelijke bepalingen te kennen en dat de Belastingdienst geen verplichting heeft om voorafgaande waarschuwingen te geven.
Verder erkende de rechtbank dat de Belastingdienst de beslistermijn had overschreden, maar dit deed niet af aan de rechtmatigheid van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt dat de kinderopvangtoeslag per kalendermaand wordt vastgesteld en dat het 'eerste kind' het kind is met de meeste opvanguren of kosten, waarbij de Belastingdienst bij gelijke situatie zelf bepaalt welk kind als eerste wordt aangemerkt. De rechtbank wees ook op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter ondersteuning van haar oordeel.