AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroeg ingediend beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaarschriften WOZ-aanslagen
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen WOZ-aanslagen van de gemeente Almere over de jaren 2017, 2018 en 2019. Zij stelden de gemeente op 29 juli 2020 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschriften die op 6 april 2020 waren ingediend. Eisers betoogden dat de beslistermijn van zes weken volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was verstreken en dat de gemeente onterecht artikel 236 lid 2 vanPro de Gemeentewet toepaste, omdat dit artikel alleen geldt voor aanslagen in hetzelfde kalenderjaar.
De gemeente verweerde zich door te stellen dat artikel 236 lid 2 vanPro de Gemeentewet wel van toepassing is en dat de beslistermijn loopt tot het einde van het kalenderjaar 2021. Daarnaast wees de gemeente op het ontbreken van een geldige reden voor het te laat indienen van de bezwaarschriften. De rechtbank concludeerde dat het beroep van eisers kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te vroeg is ingediend; de beslistermijn was nog niet verstreken op het moment van de ingebrekestelling.
De rechtbank zag geen aanleiding om de overige gronden te behandelen en wees het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling. Er werd ook geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 2 december 2020.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te vroeg is ingediend terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 3541
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2020 in de zaak tussen
[eiser 1] , te [woonplaats] , en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: A. Stokhof)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun bezwaarschriften.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De rechtbank stelt vast dat eisers, verweerder op 29 juli 2019 in gebreke hebben gesteld. Verweerder heeft op deze ingebrekestelling afwijzend gereageerd. Tussen partij is in geschil of dat verweerder in gebreke is door het te laat beslissen op de bezwaarschriften van 6 april 2020.
4. Eisers stellen in hun beroepschrift dat verweerder ten onrechte refereert aan het bepaalde in artikel 236 tweedePro lid van de Gemeentewet. Het artikel is bedoeld voor aanslagen die in hetzelfde kalender jaar worden opgelegd. In het geval van eisers gaat het om aanslagen van voorgaande jaren en is er sprake van een navordering. Omdat het gaat om een navordering is er sprake van de gewone beslistermijn van zes weken zoals bedoeld in artikel 7:10 vanPro de Awb. Dit zou betekenen dat de beslistermijn was verstreken ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling op 29 juli 2020 en dat deze terecht is ingediend. Er kan volgens eisers niet worden gewacht met het doen van een uitspraak op de bezwaren. De navorderingsaanslagen zijn namelijk onjuist, omdat het nieuwe feit ontbreekt. Hierover zijn door eisers ook een klacht ingediend die door gemeente niet word behandeld. Tot slot stellen eisers dat het niet doen van een uitspaak op de bezwaren ook nadelige gevolgen heeft voor andere aan de WOZ-waarde gerelateerde heffingen.
5. Verweerder stelt in zijn verweerschrift van 23 oktober 2020 dat er geen sprake is van een navordering. Op grond van artikel 11 derdePro lid van de Algemene Wet Inzake Rijksbelasting heeft de gemeente de bevoegdheid om binnen drie jaar nadat de belastingschuld is ontstaan een aanslag op te leggen. In de onderhavige situatie is er sprake van aanslagen uit 2017, 2018 en 2019 en deze zijn met dagtekening van 31 december 2019 opgelegd. Verweerder geeft aan dat er tegen deze aanslagen een bezwaarschrift is ingediend dat op 6 april 2020 is ontvangen. Verweerder stelt dat artikel 236 lid 2 vanPro de Gemeentewet wel van toepassing is. In het artikel staat namelijk vermeldt dat het gaat om bezwaarschriften die zijn ingediend in het kalenderjaar en niet in het belastingjaar; of het gaat om een navordering of een gewone vordering is dus niet van toepassing. Verweerder is van mening dat eisers een beperking in het artikel lezen die er niet is. Met toepassing van dit artikel zou verweerder niet in gebreke zijn aangezien de beslistermijn voor de bezwaarschriften afloopt op het einde van het kalenderjaar. Tot slot stelt verweerder dat de bezwaarschriften tevens buiten de bezwaartermijn zijn ingediend en hier geen geldige verschoningsreden voor is.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Eisers hebben hun ingebrekestelling ingediend op 29 juli 2020. Door toepassing van het bepaalde in artikel 236 lid 2 vanPro de Gemeentewet verloopt de beslistermijn om te beslissen op de bezwaarschriften op 31 december 2021. Dat betekent dat ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling de beslistermijn nog niet was overschreden. Eisers hebben hun beroepschrift te vroeg ingediend en daarmee is dus niet voldaan aan de in rechtsoverweging 2 genoemde voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De door eisers voorgestane uitleg van artikel 236 lid 2 vanPro de Gemeentewet kan niet worden gevolgd.
7. Aan een beoordeling van de overige gronden komt de rechtbank in deze procedure niet toe en laat deze dan ook onbesproken.
8. Het beroep is niet-ontvankelijk en zal niet inhoudelijk worden behandeld.
9. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos griffier .De beslissing is uitgesproken op 2 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.