Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank waarin werd vastgesteld dat hij tussen 1 januari 2015 en 6 februari 2020 niet verzekerd was voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). De kern van het geschil is of eiser in die periode als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd en zodoende AOW heeft opgebouwd.
De rechtbank beoordeelt dat iemand AOW opbouwt indien hij Nederlands ingezetene is of loonbelasting in Nederland betaalt. In deze zaak is loonbelasting niet relevant, dus draait het om de vraag of eiser een duurzame persoonlijke band met Nederland had. Uit de beleidsregels van verweerder blijkt dat onder meer gekeken wordt naar feitelijke woon- en werksituatie. Eiser heeft echter ruim vijf jaar in het buitenland gewoond en gewerkt.
Hoewel eiser stelt dat hij vanwege bedreigingen en verslaving naar het buitenland is uitgeweken en eigenlijk in Nederland wilde wonen, acht de rechtbank dit onvoldoende om af te wijken van het beleid. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser geen duurzame persoonlijke band met Nederland had en daarom geen AOW heeft opgebouwd. Ook de bijzondere omstandigheden van eiser leiden niet tot afwijking van het beleid. Het beroep wordt ongegrond verklaard.