ECLI:NL:RBMNE:2020:5372
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een civiele zaak, stellende dat de rechter vooringenomen was en hem niet wilde aanhoren. De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Uit het proces-verbaal van de zitting bleek dat verzoeker juist veel aan het woord was geweest en dat de rechter meerdere vragen aan hem had gesteld. De vermeende vooringenomenheid kon derhalve niet worden vastgesteld. Ook het geven van een voorlopig oordeel door de rechter tijdens de comparitie, bedoeld om partijen tot een schikking te bewegen, werd niet als grond voor wraking erkend.
De wrakingskamer concludeerde dat de rechter uit hoofde van zijn functie moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit tegenspreken. Deze omstandigheden ontbraken in deze zaak, waardoor het wrakingsverzoek ongegrond werd verklaard. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.