Eiser woont op een perceel waarvan een deel in eigendom is van [A], die het gebruikt voor paardenactiviteiten. Verweerder legde in 2013 een last onder dwangsom op wegens verboden paardenhandel en bouwwerken. Na controles en bezwaarprocedures werd in 2018 een handhavingsverzoek van eiser afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het verzoek van 2018 als een nieuw handhavingsverzoek had moeten worden behandeld, wat niet is gebeurd, waardoor het beroep gegrond is.
Daarnaast is vastgesteld dat de dwangsommen voor de paddocks en longeercirkel zijn verbeurd, maar de invordering daarvan is verjaard, waardoor de last onder dwangsom geen effect meer heeft. Verweerder moet daarom opnieuw beoordelen of sprake is van overtredingen en handhavend wil optreden.
Ten aanzien van de pensionstalling, paddocks en longeercirkel is een nader onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een volwaardige productiegerichte paardenhouderij, wat bepalend is voor de rechtmatigheid van deze activiteiten. De manegeactiviteiten zijn volgens verweerder niet bewezen en kunnen daarom worden afgewezen.
De rechtbank draagt verweerder op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen, het griffierecht te vergoeden en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de paardenhandel betreft.