Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 29 juli 2020 met de daarin genoemde stukken;
- een brief van [eiseres] van 10 november 2020 met een bijlage.
Rechtbank Midden-Nederland
Deze zaak betreft een geschil over de vraag of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds kon worden opgezegd en of partijen een regeling hebben getroffen over de vergoeding die de werknemer moet betalen vanwege tussentijdse beëindiging.
De kantonrechter stelt vast dat artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst, ondanks tegenstrijdigheden, de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging door beide partijen biedt met verschillende opzegtermijnen. De werknemer heeft voorafgaand aan zijn opzegging overleg gevoerd met zijn manager, wat door de werkgever niet is betwist, waardoor de opzegging rechtsgeldig was.
Vervolgens is onderzocht of partijen een regeling zijn overeengekomen over de vergoeding. Hoewel partijen het eens leken over een bedrag, was er geen overeenstemming over essentiële onderdelen zoals het moment en de termijnen van betaling. Hierdoor is geen overeenkomst tot stand gekomen.
De subsidiaire vordering tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt afgewezen, omdat de opzegging rechtmatig was. De kantonrechter veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten.