Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2020 in de zaak tussen
[A] .en
[B], beiden te [plaats] , gemachtigde: mr. A.P.W. van Delden.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een beroep tegen het verlenen van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist aan [A] voor de transformatie van een bedrijfsverzamelgebouw naar een gemengd bedrijven-wooncomplex met 74 woningen op de eerste verdieping. Eiser, wonende nabij het pand, vreesde overlast door toename van parkeerdruk en een aantasting van zijn privacy.
De rechtbank oordeelde dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor parkeernormen correct was toegepast door verweerder. De motivering van verweerder, waaronder het woningtekort en de huisvestingsopdracht van het Rijk, werd als redelijk beoordeeld. De parkeernorm werd verantwoord met een aanvaardbaar verwacht parkeertekort en rekening houdend met dubbelgebruik van parkeerplaatsen.
Ten aanzien van de privacy stelde eiser dat de nieuwe woningen inkijk zouden geven in zijn woning en tuin, vooral in de avonduren. [A] en verweerder stelden dat er geen onaanvaardbare inkijk is vanwege de ligging en afmetingen van ramen. De rechtbank volgde deze uitleg en concludeerde dat de belangenafweging van verweerder redelijk was.
De rechtbank concludeerde dat verweerder in redelijkheid van het bestemmingsplan mocht afwijken en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor transformatie van het bedrijfsverzamelgebouw is ongegrond verklaard.