Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2020:5559

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
18 december 2020
Zaaknummer
20/1662
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wet basisregistratie personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen

Eiser, afkomstig uit China, verzocht de gemeente Hilversum om wijziging van zijn persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP), waarbij hij stelde dat zijn juiste geboortedatum en geboorteplaats anders waren dan geregistreerd. De gemeente wees dit verzoek af omdat eiser niet onomstotelijk had aangetoond dat de geregistreerde gegevens onjuist waren. Eiser legde onder meer een Chinees paspoort en een hukou over, maar de gemeente stelde dat deze documenten onvoldoende bewijs boden omdat niet duidelijk was of het paspoort op juiste brondocumenten was gebaseerd en de hukou betrekking had op een persoon die permanent in China woont, terwijl eiser in Nederland verblijft.

De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het aantonen van onjuistheid van de gegevens bij eiser ligt en dat het Chinese paspoort geen brondocument is maar slechts een aanwijzing kan vormen. Er ontbraken bewijsstukken die onomstotelijk vaststellen dat de persoon die in 2000 naar Nederland kwam en toen zijn identiteit verklaarde, dezelfde persoon is als in het paspoort vermeld. De discrepantie tussen het verblijf in Nederland en de hukou in China wekte twijfel. Zonder onomstotelijk bewijs kon de rechtbank niet concluderen dat de geregistreerde gegevens onjuist zijn.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot wijziging van persoonsgegevens in de BRP is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. K.L. Sett),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigden: C. Pilic en K. el Kaouni).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om wijziging van zijn persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) afgewezen.
Bij besluit van 16 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is afkomstig uit China. Ten tijde van de asielaanvraag, die eiser in het verleden heeft gedaan, heeft hij onder ede verklaard dat hij [eiser] is, geboren op [1984] te [plaats 2] . Deze persoonsgegevens staan geregistreerd in de BRP.
Verzoek
2. Eiser heeft verweerder gevraagd zijn persoonsgegevens in de BRP te wijzigen. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn juiste persoonsgegevens zijn: [eiser] , geboren op [1977] te [plaats 3] . Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft eiser de volgende stukken overgelegd:
  • Een kopie van een verblijfsdocument van [eiser] ;
  • Een kopie van een Chinees paspoort van [eiser] , geldig tot 13 mei 2029, afgegeven door de Chinese ambassade in Den Haag;
  • Een gelegaliseerde notariële verklaring persoonsgegevens van [eiser] ;
  • Een gelegaliseerde notariële verklaring justitiële gegevens van [eiser] ;
  • Een gelegaliseerde kopie van de hukou van [eiser] .
Afwijzing
3. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat eiser niet heeft aangetoond dat de geregistreerde gegevens in de BRP onjuist zijn. Het Chinese paspoort dat eiser heeft overgelegd behoort toe aan [eiser] , geboren op [1977] in [plaats 3] . De pasfoto in dit Chinese paspoort komt overeen met de pasfoto op het verblijfsdocument van eiser. Het is volgens verweerder echter niet duidelijk op basis van welke brondocumenten het paspoort is afgegeven en of het één en dezelfde persoon betreft. De hukou die eiser heeft overgelegd ter verkrijging van het paspoort is van een persoon die permanent in China woont. Eiser woont permanent in Nederland, daarom staat niet vast dat de hukou betrekking heeft op eiser. Het had volgens verweerder op de weg van eiser gelegen het document te laten aanpassen.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat hij met de ingebrachte stukken wel degelijk heeft aangetoond dat de geregistreerde gegevens in de BRP onjuist zijn. In beginsel moet van de juistheid van het Chinese paspoort worden uitgegaan, nu de Chinese autoriteiten de identiteit van eiser hebben vastgesteld voordat hem het paspoort is verstrekt. Een paspoort is van hogere rangorde dan de verklaring onder ede, op grond waarvan de identiteit van [eiser] is vastgesteld. [1] De stellingen dat niet duidelijk is op basis van welke brondocumenten het paspoort is afgegeven en of het één en dezelfde persoon betreft zijn onvoldoende om het paspoort terzijde te schuiven. De identiteit op het paspoort komt terug in de notariële verklaringen en de foto komt overeen met de foto op het verblijfdocument van eiser.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit de door eiser overgelegde documenten niet kan worden geconcludeerd dat de gegevens in de BRP onjuist zijn geregistreerd. Verweerder heeft het verzoek van eiser daarom terecht afgewezen.
De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen. Vooropgesteld moet worden dat de gegevens in de BRP betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de BRP opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de BRP geregistreerde gegevens zal onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. [2] De bewijslast hiervoor ligt bij eiser.
6. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [eiser] en [eiser] één en dezelfde persoon zijn. Eiser heeft een Chinees paspoort overgelegd. Een paspoort is geen brondocument omdat het is verleend op grond van andere documenten. Wel kunnen de gegevens in het paspoort een aanwijzing vormen voor het antwoord op de vraag of de overgelegde documenten de betreffende gegevens van degene die in het paspoort vermeld staat bevatten. In het geval van eiser is op basis van de door hem overgelegde stukken – ondanks de aanwijzing die het paspoort kan vormen - niet vast te stellen dat [eiser] dezelfde persoon is als [eiser] . Er zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de persoon die in het jaar 2000 naar Nederland is gekomen en die toen heeft verklaard dat hij [eiser] was, in werkelijkheid [eiser] is. De hukou roept wat dat betreft vragen op, nu daarin staat vermeld dat [eiser] permanent in China woont, terwijl [eiser] sinds 2000 in Nederland woont. Er bestaat dus nog steeds twijfel over het antwoord op de vraag of de gegevens van [eiser] onjuist- en de gegevens van [eiser] juist zijn. Om dat vast te stellen zijn brondocumenten nodig en die zijn niet overgelegd. Daarom is niet voldaan aan de eis dat onomstotelijk vast moet staan dat de geregistreerde gegevens in de BRP feitelijk onjuist zijn.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder d en e van de Wet basisregistratie personen.
2.Dat volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:233.